Op 7 augustus 2026 is de inmiddels 190e BOPA-uitspraak gepubliceerd, ditmaal van de rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2026:5603). Het college heeft een omgevingsvergunning (BOPA) verleend aan de vergunninghoudster voor een verhoging van de erfafscheiding tussen de tuinen van de vergunninghoudster en verzoekers. Verzoekers zijn het niet eens met deze vergunning omdat volgens hen voorschriften aan de vergunning zijn verbonden die niet-aangevraagde gebruiksmogelijkheden in het leven roepen ten aanzien van de tuin van de vergunninghoudster. Zij gebruikt deze als buitenterras ten behoeve van het door haar geëxploiteerde hotel-restaurant.

Verzoekers voeren terecht aan dat het college met het stellen van de voorschriften in wezen méér lijkt te vergunnen dan waar de vergunninghoudster om heeft verzocht. In de aanvraag wordt weliswaar vermeld met welk doel de vergunninghoudster de verhoogde erfafscheiding wil realiseren, maar in de aanvraag en in de ruimtelijke onderbouwing daarvan wordt steeds nadrukkelijk vermeld dat het project uitsluitend het verhogen van de erfafscheiding met 1,2 meter behelst. Dat er een akoestisch onderzoek bij de aanvraag is gevoegd, moet in dit licht worden gezien als een mededeling van de vergunninghoudster die los staat van de aanvraag als zodanig. De aanvraag heeft dus alleen betrekking op de totstandkoming van de ophoging van de erfafscheiding. De gestelde voorschriften ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden vallen daarom buiten het bestek van de aanvraag. Op dit punt is het besluit dus onrechtmatig en dient het te worden geschorst.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Deze uitspraak gaat over een verzoek om een voorlopige voorziening. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend aan de vergunninghoudster voor een verhoging van de erfafscheiding tussen de tuinen van de vergunninghoudster en verzoekers. Verzoekers zijn het niet eens met deze vergunning omdat volgens hen voorschriften aan de vergunning zijn verbonden die niet-aangevraagde gebruiksmogelijkheden in het leven roepen ten aanzien van de tuin van de vergunninghoudster. Zij gebruikt deze als buitenterras ten behoeve van het door haar geëxploiteerde hotel-restaurant. Ook los hiervan kunnen verzoekers zich niet verenigen met de ophoging van de erfafscheiding.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De omgevingsvergunning staat inderdaad meer toe dan is aangevraagd. Het is daarnaast aannemelijk dat de verhoging afbreuk doet aan het woongenot van verzoekers. Het belang van de vergunninghoudster om de mogelijkheid te hebben om de erfafscheiding te verhogen weegt minder zwaar dan het belang van verzoekers bij behoud van de huidige hoogte. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Verzoekers wonen naast een hotel-restaurant dat de vergunninghoudster uitbaat. De achtertuin van verzoekers grenst aan het buitenterras van het hotel-restaurant. De vergunninghoudster heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de ophoging van de erfafscheiding tussen haar buitenterras en die van verzoekers. Het betreft een in glas uitgevoerde ophoging met een geluidswerende functie. De vergunninghoudster heeft de aanvraag ingediend om te voldoen aan de geluidsnormen in het omgevingsplan en het gebruik van haar buitenterras voor groepsborrels mogelijk te maken. Uit een in opdracht van de vergunninghoudster opgesteld akoestisch onderzoek zou namelijk blijken dat de geluidsbelasting van groepsborrels aanvaardbaar is, mits een geluidsscherm wordt gerealiseerd. Dit akoestisch onderzoek is bij de aanvraag gevoegd.
De aangevraagde erfafscheiding is in strijd met het omgevingsplan. Het omgevingsplan staat namelijk slechts een hoogte van 2 meter toe en de te realiseren ophoging maakt dat de erfafscheiding 3,2 meter hoog wordt. Het college heeft bezien of de realisatie van de erfafscheiding als buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden vergund. Met zijn besluit van 15 juni 2026 (het primaire besluit) de gevraagde omgevingsvergunning verleend en heeft daaraan de volgende voorschriften verbonden:
Inleiding
De voorzieningenrechter stelt voorop dat zijn oordeel een voorlopig karakter heeft en de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet bindt.
Anders dan de vergunninghoudster heeft betoogd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de verzochte voorziening. Zoals hierna zal blijken, maakt het primaire besluit namelijk activiteiten mogelijk waar verzoekers een verhoogde geluidsbelasting van kunnen ondervinden.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het primaire besluit te schorsen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Voorschriften vergunnen méér dan is aangevraagd
Verzoekers voeren terecht aan dat het college met het stellen van de voorschriften in wezen méér lijkt te vergunnen dan waar de vergunninghoudster om heeft verzocht. In de aanvraag wordt weliswaar vermeld met welk doel de vergunninghoudster de verhoogde erfafscheiding wil realiseren, maar in de aanvraag en in de ruimtelijke onderbouwing daarvan wordt steeds nadrukkelijk vermeld dat het project uitsluitend het verhogen van de erfafscheiding met 1,2 meter behelst. Dat er een akoestisch onderzoek bij de aanvraag is gevoegd, moet in dit licht worden gezien als een mededeling van de vergunninghoudster die los staat van de aanvraag als zodanig. De aanvraag heeft dus alleen betrekking op de totstandkoming van de ophoging van de erfafscheiding. De gestelde voorschriften ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden vallen daarom buiten het bestek van de aanvraag. Op dit punt is het besluit dus onrechtmatig en dient het te worden geschorst.
Belangenafweging
De voorzieningenrechter ziet in de door hem te verrichten belangenafweging aanleiding om het gehele besluit te schorsen. Dat wordt hierna toegelicht.
Verzoekers hebben aangevoerd dat zij hinder ondervinden van de erfafscheiding. De binnenplaats waar de tuin van de buren en het buitenterras van het hotel zijn gelegen wordt namelijk aan alle kanten omringd door gevels. Dat maakt al dat de luchtcirculatie ter plaatse niet optimaal is en dat warmte moeilijk weg kan. De verhoging van de erfafscheiding levert in deze opzichten een verslechtering op van de huidige situatie. Verder vrezen verzoekers bij realisatie van een hogere erfafscheiding voor een verhoogde geluidsbelasting op hun gevel op de eerste verdieping, waar zij slapen. Op de zitting heeft de geluidsdeskundige van het college namelijk opgemerkt dat hoewel het geluidsscherm een geluiddempende werking kan hebben op de begane grond, niet uit is te sluiten dat de geluidsbelasting op de gevel van de eerste verdieping door het scherm kan verergeren.
De vergunninghoudster heeft aangevoerd dat zij er belang bij heeft om de erfafscheiding te realiseren. Zij wenst namelijk te voldoen aan de geluidsnormen in het omgevingsplan en daarbij is het behulpzaam om het geluidsscherm te plaatsen.
In de uitspraak van vandaag in de zaken met nummers SHE 26/789 en 26/995 komt de rechtbank tot de slotsom dat het momenteel onduidelijk is of het door de vergunninghoudster voorgenomen gebruik van het buitenterras leidt tot een aanvaardbare geluidsbelasting op het perceel van verzoekers, in het bijzonder op de gevel op de eerste verdieping. Daarom heeft de rechtbank een voorziening getroffen die inhoudt dat het terras niet door niet-hotelgasten mag worden gebruikt tot en met zes weken na bekendmaking van de besluiten op bezwaar. Bij deze stand van zaken is het belang van de vergunninghoudster om de erfafscheiding te realiseren beperkt. Weliswaar kan de vergunninghoudster met het scherm de geluidsbelasting op de tuin en de gevel op de benedenverdieping van het pand van verzoekers beperken, maar dit belang weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter minder zwaar dan het belang van verzoekers om niet verder te worden ingebouwd dan nodig is en om het risico op een verdere normoverschrijding op hun gevel op de eerste verdieping tegen te gaan.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 15 juni 2026 is geschorst tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar.