Vzr. ABRvS 15 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5425. De rechtbank heeft ambtshalve geoordeeld dat het college niet bevoegd was om de omgevingsvergunning te verlenen, omdat het ten onrechte niet de raad op grond van art. 16.15a, onder b, onder 1o Ow om advies heeft gevraagd over de #BOPA-aanvraag. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat op verschillende punten onduidelijkheid bestaat over wat het college met de omgevingsvergunning precies heeft vergund.

De uitspraak van de rechtbank heeft tot gevolg dat het college in deze zaak de raad om advies moet vragen over de aanvraag om een omgevingsvergunning, en dat het de reikwijdte van de verleende vergunning nader moet motiveren en moet ingaan op de mogelijke effecten daarvan op de fysieke leefomgeving en de vraag of sprake is van ETFAL. De voorzieningenrechter acht dit niet zodanig bewerkelijk dat dit van het college niet kan worden gevraagd. Naar het oordeel van de vzr. is het ook niet aannemelijk dat uitvoering van de rechtbankuitspraak zal leiden tot gevolgen die niet ongedaan kunnen worden gemaakt indien die uitspraak in hoger beroep niet wordt bevestigd.
Voor zover het college vreest dat het als gevolg van de rechtbankuitspraak bij alle aanvragen om een BOPA om advies aan de raad moet vragen, overweegt de vzr. dat de uitspraak van de rechtbank zich in beginsel beperkt tot het onderhavige concrete geschil. Bovendien heeft het college op de zitting aangegeven dat inmiddels stappen worden ondernomen om de formulering van de lijst met categorieën gevallen van BOPA’s waarbij een advies van de raad verplicht is, aan te passen, zodat ook om die reden de gevreesde precedentwerking naar verwachting beperkt blijft.