Op 7 juli 2026 is er ook nog een tweede BOPA-uitspraak gedaan over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en het effect dat een verleende BOPA voor het realiseren van een nieuw gevoelig object hierop kan hebben (zie de eerste uitspraak:)

De tweede uitspraak betreft deze van de Rechtbank Den Haag 7 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16974. Deze uitspraak gaat om een verleende BOPA voor het bouwen van een woon-zorg verblijf met 7 studio’s en een besluit waarbij ambtshalve maatwerkvoorschriften zijn opgesteld ten aanzien van de milieubelastende activiteit ‘telen van gewassen in de openlucht’.
UITGEBREIDERE OVERWEGINGEN
Verzoekers exploiteren aan de [adres 2] een tuinbouwbedrijf en een caravanstalling in de aanwezige kassen. Op 21 juli 2025 heeft vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor genoemd bouwplan. De gronden waarop het bouwplan betrekking heeft grenzen aan de noordoost zijde aan de percelen van verzoekers.
Bij afzonderlijke besluiten van 6 mei 2026 heeft het college vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor zowel een technische bouwactiviteit als een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit voor het hiervoor genoemde bouwplan. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 26/3963).
Met het besluit van 1 mei 2026 heeft het college op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) ambtshalve maatwerkvoorschriften opgesteld ten aanzien van de milieubelastende activiteit ‘telen van gewassen in de openlucht’ voor de percelen gelegen ten noorden van [adres 1] . Verzoekers hebben hiertegen eveneens bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaak SGR 26/4309).
Verzoekers hebben tweemaal verzocht de bouw van de woon-zorgverblijven bij wijze van ordemaatregel stil te leggen. De voorzieningenrechter heeft beide verzoeken afgewezen.
Zaak SGR 26/4309
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college met het bestreden besluit van 1 mei 2026 het volgende maatwerkvoorschrift heeft gesteld:
“Binnen een afstand van 25 meter vanaf de zuidelijke perceelsgrens van de percelen aangeduid kadastraal als [kadastraal nummer 1] , [kadastraal nummer 2] , [kadastraal nummer 3] en [kadastraal nummer 4] , over een breedte van 50 meter gerekend vanaf de zuidwestelijke punt van perceel [kadastraal nummer 2] , mogen geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast door middel van spuiten”.
Aangezien de in dit voorschrift genoemde percelen geen deel uitmaken van het bedrijf van verzoekers, geen eigendom zijn van verzoekers, niet worden geëxploiteerd door verzoekers, maar door een ander bedrijf en daarnaast het voorschrift geen toestemming en ook geen verplichting inhoudt voor verzoekers om een haag te plaatsen, heeft dit besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen rechtsgevolgen voor verzoekers. Verzoekers hebben er daarom geen belang bij om tegen dit besluit op te komen. De bezwaren van verzoekers tegen dit besluit zullen daarom naar verwachting niet-ontvankelijk worden verklaard. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Zaak SGR 26/3963
Omvang van het verzoek
Blijkens het verzoekschrift richt het verzoek zich tegen de omgevingsvergunning voor de (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit en niet tegen de vergunning voor de technische bouwactiviteit. Aangezien geen verzoeksgronden zijn aangevoerd tegen de omgevingsvergunning die is verleend voor de technische bouwactiviteit, zal de voorzieningenrechter het verzoek, voor zover zich dat tegen dit besluit richt, afwijzen.
Spoedeisend belang
Verzoekers vrezen dat door de korte afstand tussen hun bedrijf en de voorziene woon-zorgfunctie een reëel risico bestaat dat toekomstige bewoners hinder zullen ondervinden van de bedrijfsactiviteiten en als gevolg daarvan beperkingen voor de bedrijfsvoering. Gebleken is dat vergunninghoudster reeds is gestart met de uitvoering van de werkzaamheden. Uit het overgelegde overzicht van de uit te voeren werkzaamheden van 20 mei 2026 blijkt dat nog tot en met 15 oktober 2026 werkzaamheden plaatsvinden.
De eventuele nadelige gevolgen van de verleende omgevingsvergunning voor de bedrijfsvoering van het bedrijf van verzoekers kunnen zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter pas voordoen na de ingebruikname van de woon-zorg verblijven. Op de zitting heeft vergunninghoudster verklaard dat hiervan pas eind december 2026 sprake zal zijn. Het college heeft in zijn e-mailbericht van 27 mei 2026 aangegeven dat de beslissing op bezwaar naar verwachting over 5 tot 6 maanden zal worden genomen. Op de zitting heeft het college bevestigd dat de beslissing op bezwaar vóór december 2026 wordt verwacht en aangegeven dat de hoorzitting in bezwaar naar verwachting op 24 juni 2026 zal worden gehouden. Dit betekent dat de beslissing op bezwaar naar alle waarschijnlijkheid zal zijn genomen voordat de woon-zorg verblijven in gebruik worden genomen. Daarnaast hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij het stilleggen van de bouwactiviteiten, omdat die geen nadelige gevolgen hebben voor hun bedrijfsvoering.
Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter dat een voldoende spoedeisend belang ontbreekt.
Evident onrechtmatig?
Omdat voldoende spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoekers gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven.
Over de stelling van verzoekers dat in dit geval een verplichte advisering door de gemeenteraad geldt stelt de voorzieningenrechter vast dat de gemeenteraad van Wassenaar een lijst van gevallen heeft opgesteld - Lijst verzwaard adviesrecht en verplichte participatie gemeente Wassenaar 2023 - waarin hij het recht heeft om advies te geven over de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zoals bedoeld in artikel 16.15a, aanhef en onder b, van de Omgevingswet. Het betreft onder meer (1) buitenplanse activiteiten, die strijdig zijn met beleidskaders, onafhankelijk van de omvang en impact van de activiteit (algemeen beginsel) en (2) een aantal specifieke categorieën, waaronder het bouwen van nieuw op te richten woonzorggebouwen of het uitbreiden van bestaande woonzorggebouwen, voor zover sprake is van een functieverandering naar deze maatschappelijke woonzorgfunctie, indien het bruto vloeroppervlak van 1.500 m2 wordt overschreden (categorie 5).
Nu verzoekers niet de categorie hebben genoemd op grond waarvan verplichte advisering door de raad is voorgeschreven, is het bestreden besluit naar voorlopig oordeel reeds hierom niet evident onrechtmatig. Voor zover verzoekers zich beroepen op categorie 5 van de lijst van gevallen is deze niet van toepassing, omdat de oppervlakte van het bouwplan minder dan 1500 m2 bedraagt.
Ten aanzien van de stelling dat het college onvoldoende heeft onderzocht of als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van verzoekers een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd stelt de voorzieningenrechter voorop dat bij de boordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet alleen rekening moet worden gehouden met de bestaande situatie, maar ook met de maximale planologische mogelijkheden.
Het college stelt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht dat in de Notitie gezondheidsrisico blootstelling aan Gewasbeschermingsmiddelen van Adromi Groep (Adromi) van 10 november 2025, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is uitgegaan van een maximale planologische invulling van de percelen van verzoekers. In paragraaf 2.4.3 en 7.2.2 van deze notitie wordt ingegaan op de huidige exploitatiewijze van het bedrijf van verzoekers en de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de nieuwe woon- zorgfunctie. In paragraaf 7.2.3. van deze notitie zijn maatregelen voorgesteld in de situatie waarin de gronden waarop zich nu kassen bevinden worden geëxploiteerd als boomgaard. Adromi heeft geadviseerd dat reeds in de huidige feitelijke situatie in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen het gebied langs de bebouwing, 3 meter in zuidelijke richting en circa 13 meter in oostelijke richting, wordt afgebakend middels een afrastering of vergelijkbare voorziening, waarin regulier menselijk verblijf is uitgesloten. Deze gronden mogen alleen betreden worden in het kader van onderhoud (tuin en gebouw). In de noordoostelijke hoek van de bebouwing mogen geen te openen delen of inlaat van balansventilatie worden gesitueerd.
In de toekomstige situatie dat de kassen op het naastgelegen perceel van verzoekers worden gesloopt en die gronden worden geëxploiteerd als boomgaard wordt geadviseerd om een meegroeiende windhaag van 3,5 m hoog te plaatsen over de gehele lengte van het perceel met een over lengte van 25 meter om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Overeenkomstig deze adviezen heeft het college in het bestreden besluit de door Adromi voorgestelde maatregelen als voorschrift 6 opgenomen. De stellingen van verzoekers dat Adromi uitgaat van een verkeerd beeld van de spuitfrequentie en spuittechnieken bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op hun percelen, volgt de voorzieningenrechter niet, gelet op de beschrijving van het maximaal teeltscenario op pagina 10 van de notitie van Adromi. Hiermee heeft het college naar voorlopig oordeel voldoende onderbouwd dat als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door verzoekers een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd in de woon-zorgverblijven en hun bedrijfsvoering niet onevenredig wordt belemmerd. Het bestreden besluit is dan ook niet evident onrechtmatig op basis van wat is aangevoerd ten aanzien van dit aspect.
In de ruimtelijke motivering van BJZ.nu van december 2025, die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter evident onvoldoende rekening gehouden met de bedrijfsbelangen van verzoekers ten aanzien van de milieuaspecten geur en geluid. Verzoekers hebben gemotiveerd gesteld dat er in verband met de exploitatie van hun bedrijf wel degelijk geluid- en geuraspecten spelen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het bestreden besluit, in navolging van de ruimtelijke motivering ten onrechte niet op deze milieuaspecten is ingegaan. Evenmin is in de ruimtelijke motivering uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden voor de percelen van verzoekers en de gevolgen daarvan voor de milieuaspecten geur en geluid. Daarmee heeft het college onvoldoende onderbouwd dat vanwege de milieuaspecten geur en geluid een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Het bestreden besluit is naar voorlopig oordeel in zoverre dan ook evident onrechtmatig.
De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, omdat dit gebrek hangende de bezwaarprocedure kan worden hersteld. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen, omdat de woon-zorgverblijven nog niet in gebruik zijn en naar alle waarschijnlijkheid voor die ingebruikname een besluit op bezwaar zal zijn genomen.
In de overige gronden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat de bestreden besluiten niet worden geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.