Op 28 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant een interessante uitspraak gedaan over de reikwijdte van de ETFAL-beoordeling in het kader van de BOPA. De rechtbank lijkt namelijk het oude criterium onder de Wro van ‘ruimtelijke relevantie’ van stal te halen, hoewel dat criterium onder de Omgevingswet niet meer geldt.

De zaak draaide om een BOPA die kleinschalig begeleid wonen voor jongeren mogelijk maakte in een pand met een woonbestemming. Verzoekster (kennelijk de wijkvereniging) tekende daartegen bezwaar aan en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voerde onder andere aan dat onzeker was hoeveel bewoners en welke leeftijdscategorie in het pand gehuisvest zouden worden.
De voorzieningenrechter geeft aan verzoekster toe dat de aanvraag niet eenduidig was over het aantal bewoners. In het aanvraagformulier stond 0 – 10 bewoners, terwijl de ruimtelijke onderbouwing die onderdeel uitmaakte van de aanvraag repte over maximaal 5 bewoners. Dit laatste stond ook in de omgevingsvergunning. Het college had echter ter zitting aangegeven in bezwaar een voorschrift aan de vergunning te willen verbinden dat het maximumaantal bewoners 5 bedraagt. Vergunninghoudster had daar geen problemen mee. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om op dit punt een voorlopige voorziening te treffen.
Ook werden in de stukken verschillende leeftijdscategorieën genoemd (13 – 18 jaar en 16 – 23 jaar), terwijl vergunninghoudster ter zitting had aangegeven dat de doelgroep de leeftijd van 12 – 18 jaar was met incidenteel een uitschieter tot 23 jaar. De voorzieningenrechter overweegt dat de doelgroep duidelijk blijkt uit de omgevingsvergunning: jongeren die begeleid wonen. Het verbinden van een specifieke leeftijdscategorie als voorschrift is niet mogelijk, omdat ‘uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het algemeen niet van belang is wie de woning bewoont. Dat kan alleen in bijzondere gevallen om redenen van situering van woningen anders zijn’. De voorzieningenrechter verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:704). Of de uitzonderingssituatie zich voordoet, dient het college te beoordelen in bezwaar, maar de voorzieningenrechter ziet nu geen aanleiding om op dit punt een voorlopige voorziening te treffen.
De overweging van de voorzieningenrechter en de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling uit 2016 is interessant, omdat die uitspraak verwijst naar het criterium van de goede ruimtelijke ordening en overweegt dat vergunningsvoorschriften hier alleen betrekking kunnen hebben op ruimtelijke aspecten. Voor de BOPA geldt echter het ETFAL-criterium, waarover de wetgever expliciet heeft opgemerkt dat dit niet beperkt is tot ruimtelijk relevante aspecten.[1] Dat betekent uiteraard niet dat ieder aspect onder dat criterium kan worden gereguleerd; ook het ETFAL-criterium moet een grens kennen. Het had onzes inziens echter op de weg van de voorzieningenrechter gelegen om expliciet te motiveren waarom de aangehaalde rechtspraak van de Afdeling ook onder de Omgevingswet nog relevant is, dan wel zelfstandig te motiveren waarom leeftijd onder het (verruimde) ETFAL-criterium geen relevant toetsingsaspect kan zijn. Dat had de praktijk meer handvatten gegeven over de grenzen van ETFAL.
[1] Kamerstukken II, 2013/14, 33962, nr. 3, pagina 262.