Bestuursorganen mogen een herstelpoging na een tussenuitspraak niet aangrijpen om om een eerdere discussie dunnetjes over te doen. De uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2026:4026 d.d. 19 juni 2026) laat zien waarom dat niet mag, en hoe geluidsregels de doorslag kunnen geven bij handhaving.

De feiten
Hier zijn de twee belangrijkste juridische lessen uit de einduitspraak:
1) Een tussenuitspraak is geen vrijbrief voor 'ander herstel'
In de herstelpoging probeerde het college uitvoerig te beargumenteren dat er toch sprake was van (begeleid) wonen in plaats van gezondheidszorg.
De rechtbank maakt hier korte metten mee. De bestuurlijke lus is niet bedoeld om eerdere, zonder voorbehoud gegeven oordelen ter discussie te stellen. Het bevoegd gezag mag de hersteltermijn niet gebruiken voor een ander soort herstel of om het juridische debat opnieuw te openen. Uitzonderingen zijn er alleen voor "zeer uitzonderlijke gevallen", en het simpelweg oneens zijn met de rechter valt daar niet onder. Deze argumentatie van het college werd dan ook volledig buiten beschouwing gelaten.
2) Waarom legalisatie toch strandde op geluidgevoeligheid
De rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten bleven toch in stand. Waarom? Omdat het college niet bereid was een vergunning te verlenen op basis van geluid. Een gezondheidszorgfunctie kwalificeert als een geluidgevoelig gebouw (zowel onder de oude Wet geluidhinder als het nieuwe Besluit kwaliteit leefomgeving). Hoewel het pand op een werklocatie ligt, is dit geen gezoneerd industrieterrein of een terrein met een geluidproductieplafond waarvoor uitzonderingen gelden. Gevolg: de geluidgevoelige functie is in strijd met de regels. Omdat de gemeente (conform de eigen 'Visie Werklocaties') geen economische locaties wil opofferen, is er geen concreet zicht op legalisatie. Handhavend optreden was dus de enige juiste weg.