De illegale houtwal: praktijkvoorbeeld waarin 'onlosmakelijkheid' niet meer geldt
Een recente uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:3428) d.d. 28 juli 2026 laat zien hoe de regels rondom 'onlosmakelijke samenhang' werken onder de Omgevingswet.
Feiten
Een grondeigenaar in Tynaarlo heeft zonder vergunning een aarden wal aangelegd op zijn agrarische perceel (105 meter lang, 2 meter hoog). Hij dient alsnog een aanvraag in om de wal te legaliseren als 'houtwal', bedoeld voor beschutting van zijn schapen en biodiversiteit. Het college weigert de vergunning, omdat de wal een "vreemd element" in het beekdallandschap zou zijn en daarmee in strijd is met het omgevingsplan. De grondeigenaar stapt naar de rechter.
Analyse uitspraak
- De eigenaar stelde dat het ging om 'normaal agrarisch gebruik', wat is vrijgesteld van de vergunningplicht. De rechtbank gaat hier niet in mee. Waarom? Omdat de definitie eist dat het gaat om regelmatig noodzakelijk gebruik. De aanleg van een wal doe je maar één keer. Het is dus geen 'regelmatig' gebruik, en daarmee is de aanleg gewoon vergunningplichtig.
- De eigenaar had op het formulier alleen de activiteit "Werk of werkzaamheid uitvoeren" aangevinkt (ophogen en aanplanten). Het college stelde zich echter op het standpunt dat de aanvraag óók moest worden gelezen als een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), aangezien de wal in strijd was met de bestemmingsregels. Onder de oude Wabo had het college hier een punt gehad. Toen gold immers de regel van onlosmakelijke samenhang: als activiteiten fysiek niet van elkaar te scheiden waren, móést je ze tegelijk aanvragen. De rechtbank is echter glashelder: deze vlieger gaat onder de Omgevingswet niet meer op! De wetgever heeft er bewust voor gekozen om de onlosmakelijkheid bij de aanleg (of oprichting) van een project te schrappen. Artikel 5.7, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt expliciet dat een aanvrager zélf mag kiezen op welke activiteit(en) de aanvraag betrekking heeft. De zogenaamde 'knip' is overal toepasbaar. Het bestuursorgaan mag een beperkte aanvraag dus niet meer ambtshalve oprekken of weigeren omdat er een andere, niet-aangevraagde activiteit nodig is voor de realisatie.
- Omdat de aangevraagde activiteit niet via de beoordelingsregels in het plan vergund kon worden, moest het college toetsen of afwijking mogelijk was en voldeed aan een "evenwichtige toedeling van functies aan locaties" (art. 8.0a lid 2 Bkl). Het college had dit in eerste instantie onvoldoende gemotiveerd, maar herstelde dit in de beroepsfase via deskundigenrapporten. De wal deed inderdaad onevenredige afbreuk aan het historische landschap. De rechtbank passeert het oorspronkelijke motiveringsgebrek (via art. 6:22 Awb), oordeelt dat de vergunning uiteindelijk terecht is geweigerd en verklaart het beroep ongegrond.