In week 29 is er weer een interessante uitspraak gedaan over de knip onder de Omgevingswet (Ow) tussen de omgevingsvergunning voor de bouwtechnische activiteit (art. 5.1, lid 2, onder a Ow) en de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit (art. 5.1, lid 1, onder a Ow). Tijd voor een 'tussenstand-artikel' over de ins en outs van de rechtspraak over de knip.

Er is in de Ow dus een knip gemaakt tussen de bouwtechnische aspecten van de omgevings-vergunning (bijvoorbeeld constructieve veiligheid, brandveiligheid, energiebesparing etc.) en de ruimtelijke aspecten (bijvoorbeeld situering, maatvoering, welstand et cetera). Dit laatste wordt de omgevingsplanactiviteit genoemd en de beoordelingsregels hiervoor zijn (via het Bkl) opgenomen in het omgevingsplan van elke gemeente (en de hiervan deel uitmakende bruidsschat). De bouwtechnische omgevingsvergunning is wettelijk geregeld in art. 5.1, lid 2, onderdeel a Ow jo. art. 2.25 en 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In artikel 5.18 jo. art. 5.20 Ow jo. art. 8.3a en 8.3b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor de bouwtechnische vergunning. Art. 5.20, lid 2 Ow bepaalt dat de regels ertoe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels over bouwactiviteiten, bedoeld in art. 4.3, lid 1, onder a Ow (zoals bedoeld in het Bbl), of daarover gestelde maatwerkregels, voor zover die regels betrekking hebben op de kwaliteit van bouwwerken.
De omgevingsplanactiviteit is vastgelegd in art. 5.1, lid 1, onder a Ow jo. artikel 22.26 van het omgevingsplan. De beoordelingsregels voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (OPA Bouw) zijn vastgelegd in art. 5.18 jo. art. 5.21, lid 1 en lid 2, onder a Ow jo. art. 22.29 van het omgevingsplan.
Wat is de achtergrond van de knip?
De 'knip' is ingevoerd middels de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow). In de memorie van toelichting bij de Iw Ow wordt hieromtrent het volgende beschreven. In de Wabo kon het zijn dat er alleen om ruimtelijke redenen (in verband met het bestemmingsplan of de welstandstoets) een omgevingsvergunning nodig is. Er werd in het kader van die vergunning echter ook altijd getoetst aan de technische regels, ook als een preventieve beoordeling aan die regels niet nodig wordt geacht. Andersom kan ook. Een omgevingsvergunning was nodig wegens de technische regels, terwijl er dan ook onnodig werd getoetst aan de ruimtelijke regels. Door de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit ‘op te knippen’ in een technische vergunning en een ruimtelijke vergunning, kan voorkomen worden dat er onnodig aan bepaalde regels wordt getoetst. Door deze splitsing kan ook het aantal vergunningplichtige activiteiten verder worden beperkt (Kamerstukken II, 2017-2018, 34 986, nr. 3, p. 70 en 71).
Onder de Ow wordt er dus een ‘knip’ gemaakt tussen de bouwtechnische- en de ruimtelijke bouwactiviteit (omgevingsplanactiviteit, YS). De bouwtechnische activiteit wordt geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze ziet vooral op aspecten als constructieve veiligheid, brandveiligheid en duurzaamheid. De vergunningplicht voor het bouwen in verband met een toets aan het omgevingsplan (‘de ruimtelijke bouwactiviteit’ of omgevingsplanactiviteit) zal niet langer op wetsniveau worden geregeld. Het gaat dan vooral om aspecten als maatvoering en situering van het bouwwerk. Gemeenten zullen de vergunningplicht voor de ruimtelijke bouwactiviteiten en het in stand houden van bouwwerken in het omgevingsplan moeten gaan reguleren. Het ruimtelijke deel van de vergunningplicht voor bouwactiviteiten wordt op wetsniveau geschrapt, maar komt als onderdeel van de bruidsschat terug in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Hiermee blijft een vergunningplicht voor de ruimtelijke activiteit als uitgangspunt gelden, via de regels van het omgevingsplan. Gemeenten kunnen vervolgens toegespitst op locatiespecifieke omstandigheden meer bouwwerken vergunningvrij maken of hiervoor een informatieplicht of meldingsplicht opnemen (Kamerstukken II, 2017–2018, 34 986, nr. 3, p. 71). Voor de lokale bouwregels en voor het bepalen van de vergunningplicht in het omgevingsplan heeft de gemeente dus een centrale rol. Hierdoor zullen gemeenten in het omgevingsplan niet alleen bepalen aan welke regels een bouwwerk op een locatie moet voldoen, maar ook of het met het oog op die regels nodig is dat er in het kader van een vergunning preventief aan die regels wordt getoetst middels een noodzakelijke omgevingsvergunning. De vergunningplicht voor bouwwerken (de ruimtelijke bouwactiviteit oftewel omgevingsplanactiviteit) wordt daardoor dus niet langer op wetsniveau bepaald, maar in het omgevingsplan door de gemeente. De nieuwe mogelijkheden van het omgevingsplan maken het logisch dat een gemeente zelf in het omgevingsplan bepaalt of er een vergunning nodig is voor het bouwen en in stand houden van bouwwerken (Kamerstukken II, 2017-2018, 34 986, nr. 3, p. 72).
Als voor een bouwplan zowel een technische vergunning als een ruimtelijke vergunning (omgevingsplanactiviteit) nodig is, kan die in één keer worden aangevraagd. De aanvrager kan er ook voor kiezen om de activiteiten na elkaar aan te vragen. Zo kan bijvoorbeeld eerst helder worden of een bouwplan wel voldoet aan het omgevingsplan of dat er voor het bouwplan van het omgevingsplan kan worden afgeweken, voordat het bouwplan technisch wordt uitgewerkt. In dit verband wijst de wetgever er nog op dat wanneer een vergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor ook nog een andere omgevingsvergunning nodig is, het bevoegd gezag op grond van art. 3:20 Awb bevordert dat de aanvrager hiervan in kennis wordt gesteld. Daarmee wordt bereikt dat de aanvrager weet dat hij voor het bouwen ook nog de andere vergunning nodig heeft (Kamerstukken II, 2017–2018, 34 986, nr. 3, p. 71).
Er is onder de Ow verder ook geen sprake meer van onlosmakelijke samenhang tussen de verschillende activiteiten (zoals was opgenomen in art. 2.7 Wabo) en er geldt ook geen conversiebepaling meer. Hiermee wordt een bepaling bedoeld zoals was opgenomen in art. 2.10, lid 2 Wabo, waarbij een met het bestemmingsplan strijdige aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van rechtswege ook wordt aangemerkt als een aanvraag om af te wijken van het bestemmingsplan. Art. 5.7, lid 1 Ow bepaalt immers dat een aanvraag om een omgevingsvergunning naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking kan hebben. In art. 5.7 lid 1 Ow is het uitgangspunt vervat dat de aanvrager volledige vrijheid heeft bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor de activiteit of activiteiten waarvoor hij een omgevingsvergunning nodig heeft. Hij kan ervoor kiezen voor elke activiteit afzonderlijk een omgevingsvergunning aan te vragen of voor verschillende activiteiten tegelijk. De wet biedt de aanvrager hiermee flexibiliteit (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 962, nr. 3, p. 160). Dit betekent dat de aanvrager bij de OPA Bouw de technische bouwactiviteit nog niet hoeft te hebben aangevraagd of vice versa.
Hoe wordt de knip in de jurisprudentie toegepast?
Geen toets aan bouwtechnische aspecten bij de omgevingsplanactiviteit bouwen
De beoordelingsregels voor de omgevingsplanactiviteit bouwen zijn opgenomen in art. 5.18 Ow jo. art. 5.21, lid 1 en 2, onder a Ow jo. art. 8.0a, lid 1 Bkl jo. de beoordelingsregels in het omgevingsplan (art. 22.29). Er is bij de OPA Bouw sprake van een limitatief-imperatief toetsingskader (zie: rechtbank Zeeland West-Brabant 9 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2909).
Zie in dit verband de uitspraak van de rechtbank Zeeland West-Brabant 23 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5539. De vergunning is verleend voor de activiteit: bouwen (omgevingsplan), dus voor de ruimtelijke bouwactiviteit als bedoeld in art. 5.1, lid 1, onder a Ow). Verzoekster heeft aangevoerd dat sprake is van een onjuiste kwalificatie van het bouwwerk, omdat feitelijk sprake is van een dakopbouw. Daarom zou het bouwplan getoetst moeten worden aan het Bbl. Volgens verzoekster is het bouwplan in strijd met de daarin opgenomen constructieve eisen, omdat de oorspronkelijke constructie uit 1957 niet geschikt is voor een verblijfsruimte. Op de tekening staat ‘onbenoemde ruimte’, terwijl sprake is van een verblijfsruimte. Ook is de brandveiligheid volgens verzoekster onvoldoende onderzocht. Zij meent dat de aanvraag van vergunninghouder onvolledig is en dat daardoor geen goede beoordeling van die aanvraag heeft kunnen plaatsvinden. Dat het college achteraf heeft getoetst of het bouwplan voldoet aan de technische voorschriften van het Bbl, kan het gebrek niet herstellen, omdat daarbij is uitgegaan van feitelijk onjuiste constructieve gegevens, zo stelt verzoekster. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor een omgevingsplanactiviteit op grond van art. 5.1, lid 1, onder a Ow in samenhang met art. 22.26 Omgevingsplan. Het beoordelingskader staat in art. 22.29 Omgevingsplan. Deze bepaling kent een limitatief-imperatief stelsel. Dit betekent dat het college alleen beoordeelt of sprake is van één van de in dat artikel opgesomde weigeringsgronden. Het standpunt van het college is dus juist dat niet getoetst hoeft te worden aan het Bbl, wat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit wel het geval is. Op zitting heeft verzoekster bevestigd dat haar gronden zich niet richten tegen het standpunt van het college dat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan en niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Verzoekster maakt zich zorgen over aspecten die met de technische bouwactiviteit te maken hebben. Zij is bang voor onveilige situaties en schade aan haar woning door fouten in de constructieberekeningen. Een aanvraag voor de technische bouwactiviteit is echter door vergunninghouder niet aangevraagd, en door het college dus ook niet verleend of geweigerd. Over de technische bouwactiviteit is dus geen besluit genomen dat door de voorzieningenrechter getoetst kan worden. Het uitgangspunt van onlosmakelijke samenhang tussen de ruimtelijke en de technische bouwactiviteit heeft de wetgever met de invoering van de Ow bewust verlaten. De voorzieningenrechter kan in deze zaak dus alleen oordelen over de verleende omgevingsvergunning voor de ruimtelijke bouwactiviteit. Nu tussen partijen niet in geschil is dat bij die activiteit zich geen van de weigeringsgronden voordoet, was het college gehouden om de gevraagde omgevingsvergunning voor de ruimtelijke bouwactiviteit aan vergunninghouder te verlenen.
De rechtbank Oost-Brabant deed op 17 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5032 een uitspraak over de toepassing van de knip bij een OPA bouw en OPA binnenplans afwijken. Bij het bouwplan is sprake van een binnenplanse afwijking ten aanzien van de bouwhoogte. Volgens de rechtbank zal het college ingevolge art. 22.281 van het omgevingsplan ook moeten beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Eiser voert aan dat het college in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft gereageerd op eisers bezwaren over de vraag of het te bouwen pand aan de diverse NEN-voorschriften met betrekking tot brandveiligheid voldoet. Ook blijft in het bestreden besluit nog altijd onduidelijk blijft of het bedrijfsverzamelgebouw wel of niet onder gevolgklasse 1 als bedoeld in art. 2.17 Bbl valt (in de zin van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, de Wkb, YS). Daarnaast wijst eiser ook op overige mogelijke bouwtechnische bezwaren. De aangevraagde omgevingsvergunning kon daarom niet worden verleend, aldus eiser. Het college wijst er in het verweerschrift op dat deze bouwaanvraag alleen maar gaat over de ruimtelijke bouwactiviteit. De technische bouwactiviteit is niet aangevraagd en maakt dus ook geen onderdeel uit van de nu verleende omgevingsvergunning. De bezwaren van eiser vallen dus buiten het toetsingskader van de verleende omgevingsplanactiviteit. De rechtbank overweegt dat de vraag of wordt voldaan aan bouwtechnische eisen in het Bbl, waaronder brandveiligheidseisen, voor onderhavige omgevingsvergunning nog niet relevant is. De Ow maakt bij het bouwen van een bouwwerk onderscheid tussen het ruimtelijk deel en het technische deel, de zogenoemde ‘knip’. Het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit betreft de vraag of de bouwactiviteit op grond van het omgevingsplan kan worden toegestaan en alleen hiervoor heeft vergunninghouder van het college een omgevingsvergunning verkregen. Het technische deel van de bouwactiviteit betreft de vraag of de aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Bbl voldoet. Voor dit technische deel dient vergunninghouder nog apart een vergunning aan te vragen, waar het college hem bij het verlenen van deze omgevingsvergunning ook op heeft gewezen. De vraag of aan het Bbl wordt voldaan zal pas in het kader van die vergunningaanvraag worden beantwoord en kan in deze procedure dus niet aan de orde komen. Het college was dus niet gehouden om bezwaren van eiser die niet zien op de huidige ruimtelijke bouwactiviteit, maar op de in de toekomst nog door vergunninghouder aan te vragen technische bouwactiviteit, nu al te bespreken. Om diezelfde reden komt de rechtbank er nu ook niet aan toe om die gronden in het kader van deze beroepszaak al te bespreken.
Vermeldenswaardig over de werking van de knip in een handhavingszaak is de uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 juli 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:4217. Er was hier sprake van een wijziging van de draagconstructie van de kap van de woning. Gelet hierop geldt de uitzondering van de plicht voor een omgevingsvergunning (als genoemd in art. 2.27, lid 1, aanhef, onder b, sub 1 Bbl) niet, zodat verzoekster voor de bouwwerkzaamheden aan het dak een omgevingsvergunning nodig heeft op grond van art. 5.1, lid 2, onder a Ow (de technische bouwactiviteit, YS). Aangezien verzoekster deze omgevingsvergunning niet heeft, was verweerder bevoegd om handhavend op te treden. Verzoekster zal (alsnog) een (ontvankelijke) aanvraag moeten doen voor de wijziging van de dakconstructie. Ter zitting is aan de orde geweest dat in dat geval verweerder zijn best zal doen om zo snel mogelijk daarop te beslissen. Ter zitting is besproken dat er waarschijnlijk geen sprake is van een vergroting van het bouwvolume aangezien de diktes van de oorspronkelijk sporen variabel waren en werden opgevuld en er daardoor geen sprake zou zijn van een vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit in de zin van art. 5.1, lid 1, onder a Ow in samenhang met art. 22.26 van het omgevingsplan. Dit maakt niet dat er geen sprake meer is van een overtreding aangezien de draagconstructie zonder de daarvoor noodzakelijke omgevingsvergunning (voor de technische bouwactiviteit, YS) is gewijzigd.
Geen toets aan het omgevingsplan bij de bouwtechnische vergunning (de 'andere medaille van de knip')
De toets die het college moet uitvoeren bij de vraag of aan de voorwaarden met betrekking tot de technische bouwkwaliteit van bouwwerken uit het Bbl is voldaan, betreft een aannemelijkheidstoets (dit volgt uit art. 8.3b Bkl). Het college komt bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bbl beoordelingsruimte toe. Dit betekent dat niet hoeft te zijn aangetoond dat ook daadwerkelijk wordt voldaan aan de voorwaarden met betrekking tot de technische bouwkwaliteit uit het Bbl (rechtbank Gelderland 24 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11477).
De beoordelingsregels voor de technische bouwactiviteit zijn dus opgenomen in art. 8.3b Bkl. Art. 8.3b, lid 1 Bkl bepaalt dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het bouwen van een nieuw bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 4 Bbl en de maatwerkregels die op grond van art. 4.7 Bbl in het omgevingsplan zijn gesteld. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het verbouwen of het verplaatsen van een bestaand bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 Bbl (art. 8.3b, lid 2 Bkl).
In de jurisprudentie is inmiddels reeds bevestigd dat ook bij 'de andere kant van de medaille van de knip' (de bouwtechnische vergunning) niet wordt getoetst aan het omgevingsplan (tenzij er bij nieuwbouw sprake is van maatwerkregels in het omgevingsplan). Dit blijkt bijvoorbeeld uit een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:316. Verzoeker voert aan dat bij de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit onduidelijk is hoe deze activiteit binnen de bestemmingsomschrijving ‘Bedrijf-dierenasiel’ (uit het van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende bestemmingsplan, YS) valt. Ook zijn volgens verzoeker de publiekrechtelijke beperking die op het perceel rust en het verbod op grondwateronttrekking of -gebruik ten onrechte niet in de omgevingsvergunning genoemd. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat de drie punten die verzoeker hier aanvoert geen onderdeel uitmaken van de beoordelingsregels voor de technische bouwactiviteit. De omgevingsvergunning voor deze bouwactiviteit wordt door het college alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels voor technische bouwkwaliteit van hoofdstuk 4 van het Bbl (en de maatwerkregels die op grond van art. 4.7 van dat besluit in het omgevingsplan zijn gesteld). Zie art. 8.3b Bkl. Daarvan maken deze drie punten geen onderdeel uit.
Zoals vermeld wordt er bij de bouwtechnische vergunning wel getoetst aan het omgevingsplan als er sprake is van nieuwbouw (art. 8.3b, lid 1 Bkl) en er maatwerkregels zouden zijn gesteld in het omgevingsplan (op basis van het Bbl). Een voorbeeld waarbij wordt getoetst of dergelijke maatwerkregels aan de orde zijn is de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21067. Ingevolge art. 8.3b, lid 1 Bkl wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het bouwen van een nieuw bouwwerk inhoudt, de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 4 Bbl en de maatwerkregels die op grond van art. 4.7 van dat besluit in het omgevingsplan zijn gesteld. De voorzieningenrechter stelt vast dat in hoofdstuk 4 Bkl geen regels over trillingshinder en -schade zijn vastgelegd. Daarnaast bevat het omgevingsplan daarover geen maatwerkregels. Hetgeen verzoekers hebben aangevoerd over de door hen gevreesde trillingsschade in de bouwfase, kan dus de rechtmatigheid van de verleende toestemming voor de technische bouwactiviteit niet aantasten.
Zie in dit verband ook de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:8844. Het college ziet een probleem voor de beoordeling in bezwaar omdat het stelt dat het in het bestreden besluit ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen omgevingsvergunning nodig is voor de technische bouwactiviteit. Omdat, zo stelt het college, met het bouwplan de indeling van brandcompartimenten in het appartement en het buurpand wordt gewijzigd, is op grond van art. 2.26 Bbl – anders dan in het bestreden besluit is overwogen – toch een omgevingsvergunning nodig als bedoeld in art. 5.1, lid 2, onder a Ow. De voorzieningenrechter is niet overtuigd van de motivering van het college dat een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit noodzakelijk is en dat bij de beoordeling of tot verlening daarvan moet worden overgegaan, kan worden getoetst aan het omgevingsplan. Op grond van art. 8.3b Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die het verbouwen van een bestaand bouwwerk inhoudt, (alleen) verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 5 Bbl. Hieruit volgt niet dat het college de ruimte heeft om bij het, naar aanleiding van een aanvraag, al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit mag toetsen aan regels uit het omgevingsplan die geen betrekking hebben op de (technische) bouwactiviteit. Dit geldt te meer nu partijen het erover eens zijn dat het bouwplan qua gebruik geen omgevingsplanactiviteit-vergunningplicht meebrengt zoals bedoeld in art, 5.1, lid 1 onder a, Ow, omdat het gebruik van het appartementen voor woondoeleinden is toegestaan.
En spelen bouwtechnische aspecten uit het Bkl wel een rol bij de (on)uitvoerbaarheidstoets bij de BOPA?
Het is nog niet helemaal duidelijk of bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wel of niet marginaal moet worden getoetst aan de aspecten van de bouwtechnische activiteit in het kader van de (on)uitvoerbaarheidstoets die bij de BOPA geldt (vanwege het ETFAL-criterium). Zo moet in het kader van de (on)uitvoerbaarheidstoets bij de BOPA bijvoorbeeld wel marginaal worden getoetst aan aspecten als Flora- en fauna en stikstof (namelijk of deze aspecten de uitvoerbaarheid van de BOPA al dan niet in de weg staan).
Over de relatie tussen ETFAL en de technische bouwactiviteit handelde bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 augustus 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:5928. De rechtbank oordeelt dat er een knip is gemaakt tussen een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit en voor een omgevingsplanactiviteit. De technische bouwactiviteit heeft betrekking op wat voorheen wel als de ‘bouwbesluit-toets’ werd aangeduid en waar onder meer de constructieve veiligheid werd getoetst. In het kader van de omgevingsplanactiviteit (die in deze zaak aan de orde is) wordt het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk getoetst aan de ruimtelijke bouwregels van het omgevingsplan. De aanvraag en het bestreden besluit zien op functiewijziging en dus op de vraag of er sprake is van ETFAL. Een technische vergunning is (nog) niet aangevraagd en daar heeft het besluit ook geen betrekking op. Aan de vraag of de kamers voldoen aan de technische eisen (zoals daglichttoetreding) en aan de normen voor gebruiksoppervlakte komt de voorzieningenrechter dan ook niet toe. Dit dient te worden getoetst bij de verlening van de bouwtechnische vergunning (als die vergunningplichtig is gesteld).
In de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 juni 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:5575 wordt het standpunt ingenomen dat bij de BOPA aspecten die zien op de bouwtechnische vergunning niet aan de orde kunnen komen. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteiten als bedoeld in art. 5.1, lid 1, onder a, Ow, te weten een omgevingsplanactiviteit voor bouwen en een omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van de regels in het omgevingsplan (ook wel buitenplanse omgevingsplanactiviteit genoemd, afgekort tot ‘BOPA’). De voorzieningenrechter overweegt dat de grond die verzoeker heeft aangevoerd over de bouwkundige staat van het pand en de veronderstelde constructieve ingrepen daaraan in deze procedure niet aan de orde kan komen, omdat geen omgevingsvergunning is verleend voor een bouwactiviteit als bedoeld in art. 5.1, lid 2, onder a Ow.
Zie in deze zin ook een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 april 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:4592 over een verleende BOPA. De voorzieningenrechter ziet in de overigens begrijpelijke vrees van verzoekers voor verzakking en optrekkend vocht daarom onvoldoende reden om te oordelen dat het bestreden besluit op dit punt in bezwaar geen stand zal houden. Daarbij acht de voorzieningenrechter nog van belang dat er, zo heeft Socialex ter zitting toegezegd, voorafgaande aan de bouw een nulmeting bij de omliggende woningen is gepland, zodat goed in kaart kan worden gebracht of de bouw schade veroorzaakt bij de omliggende woningen. Daarbij is ook van belang dat voor de technische aspecten van de bouw een aparte “technische vergunning” is verleend, die nu niet ter beoordeling voorligt.
Zie ook: rechtbank Gelderland 5 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:851 over een verleende BOPA. Sinds de inwerkingtreding van de Ow is een knip gemaakt tussen een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit en voor een omgevingsplanactiviteit. De technische bouwactiviteit heeft betrekking op wat voorheen - onder de Wabo – wel als de “bouwbesluit-toets” werd aangeduid en waar onder meer de veiligheid werd getoetst. De aanvraag van Intratuin en het bestreden besluit zien op ruimtelijk bouwen en dus op de vraag of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Een technische vergunning is niet aangevraagd en daar heeft het besluit derhalve ook geen betrekking op. Aan de vraag of voldoende gewaarborgd is dat door de bouwwerkzaamheden geen schade zal ontstaan aan omliggende panden komt de voorzieningenrechter in deze procedure dan ook niet toe.
Een ander beeld volgt echter uit de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 mei 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3066, waar in het kader van de (on)uitvoerbaarheidstoets bij de BOPA toch wordt gekeken naar bouwtechnische aspecten. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de bestreden besluiten op punten gebreken hebben. Het belangrijkste gebrek is dat het college de opvanglocatie heeft getoetst aan de technische eisen voor bruikbaarheid, duurzaamheid en gezondheid in het Bbl voor een logiesfunctie terwijl de voorzieningenrechter van oordeel is dat een opvanglocatie moet voldoen aan de eisen voor een woonfunctie omdat de vluchtelingen daar zullen verblijven en wonen. Daarmee is de apart verleende vergunning voor de BOPA mogelijk niet uitvoerbaar. Omdat niet duidelijk is of de opvanglocatie ook voldoet aan de eisen voor een woonfunctie is de vergunning voor de BOPA mogelijk niet uitvoerbaar. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de opvang van Oekraïense ontheemden geen logiesfunctie is, maar een woonfunctie, gelijk te stellen met een woonfunctie voor kamergewijze verhuur als bedoeld in bijlage 1 onderdeel B van het Bbl. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in veel andere uitspraken waarin een opvanglocatie voor asielzoekers of ontheemden wel als ‘wonen’ wordt beschouwd. De opvanglocatie valt ook niet gelijk te stellen met de huisvesting van arbeidsmigranten omdat, anders dan bij arbeidsmigranten, het zeer wel mogelijk is dat de Oekraïense vluchtelingen mogelijk geen bruikbaar hoofdverblijf in Oekraïne meer hebben. De voorzieningenrechter beschouwt het vergunde voorgenomen gebruik als ‘wonen’. De voorzieningenrechter merkt op dat in de aanvraag die heeft geleid tot bestreden besluit 3 enerzijds een functie logies lijkt te worden aangevraagd en bij de inhoudelijke beoordeling (voor verkeersveiligheid, parkeeroverlast en milieugevolgen) weer wordt aangesloten bij een woonfunctie. Deze tegenstrijdigheid leidt niet tot een ander oordeel over het voorgenomen gebruik. De technische bouwactiviteit is aangevraagd ten behoeve van een logiesfunctie. Het college zal moeten volstaan met een toetsing aan de eisen in het Bbl voor een logiesfunctie, anders zou het college de grondslag van de aanvraag verlaten. Als gevolg van de keuze van de wetgever om een knip aan te brengen tussen de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit, is het mogelijk om een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit aan te vragen voor functie a) en een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (in hetzelfde gebouw) voor functie b). Als het gebouw dan later wordt gebruikt voor functie b) dan zal alsnog een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit voor functie b) moeten worden verkregen, omdat anders mogelijk het verbod in art. 5.1, lid 2, onder a Ow wordt overtreden. Eisers voeren dus weliswaar terecht aan dat sprake is van een woonfunctie, maar dit betekent nog niet dat bestreden besluit 1 onrechtmatig is. Tegelijkertijd stelt de voorzieningenrechter wel vast dat wordt gehandeld in strijd met art. 5.1, lid 2, onder a Ow, als het gebouw zal worden gebruikt voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen omdat dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter kwalificeert als een woonfunctie (waarvoor nog geen vergunning voor een technische bouwactiviteit is gevraagd of verleend). In dit geval heeft niemand iets aan de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit.
Met andere woorden, de voorzieningenrechter is van oordeel dat de opvang van Oekraïense ontheemden geen logiesfunctie is, maar een woonfunctie, gelijk te stellen met een woonfunctie voor kamergewijze verhuur als bedoeld in bijlage 1 onderdeel B Bbl. Zonder toereikende omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit kan het gebouw niet worden gebruikt voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen. De voorzieningenrechter kan niet op voorhand uitsluiten dat het beschermingsregime voor een woonfunctie voor kamergewijze verhuur in het Bbl in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van de voorziene ontwikkeling (rechtbank Oost-Brabant 10 oktober 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:6283).
Andere afleveringen uit de serie 'een tussenstand...'
Eerdere artikelen in mijn serie 'een tussenstand...' (over Omgevingswetjurisprudentie) handelden over: