Rechtbank Oost-Brabant 17 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4861. De Omgevingswet of het Bal, meer in het bijzonder art. 11.27 Bal, bieden geen uitdrukkelijke wettelijke basis voor het geven van een waarschuwing.

Het gaat dus om een informele waarschuwing. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze informele waarschuwing in de bestreden besluiten géén besluit is als bedoeld in art. 1:3 Awb. Vanwege het enkele negeren van de waarschuwing plegen verzoekers geen overtreding van de specifieke zorgplicht in art. 11.27 Bal. De waarschuwing is geen voorwaarde voor handhavend optreden. Er is geen termijn verbonden aan de waarschuwing.
Mede naar aanleiding van de waarschuwing kunnen verzoekers wel worden geacht redelijkerwijs te vermoeden dat hun handelingen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de belangen in art. 11.23 Bal. De waarschuwing is gegeven op basis van omstandigheden die (los van de waarschuwing) ook zouden kunnen leiden tot een overtreding van de specifieke zorgplicht. Dit vermoeden hadden verzoekers ook kunnen hebben op basis van de bevindingen van hun eigen ecoloog, de correspondentie met het college en de lokale omstandigheden (zij verrichten handelingen bij een oude schuur agrarische schuur bij een voormalige boerderij die al enige tijd niet is gebruikt).
De rechtbank ziet in de waarschuwing dus geen concretisering van de specifieke zorgplicht. Deze concretisering is overigens al gegeven in art. 11.27, lid 2 onder a Bal. Mede gelet op overweging 15.13 van de conclusie van AG Widdershoven van 24 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:249) en uitspraken van de ABRvS (25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2816) waarin deze conclusie is gevolgd beschouwt de voorzieningenrechter de waarschuwing niet als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Verzoekers kunnen er dus geen bezwaar tegen maken of een verzoek om voorlopige voorziening over kunnen indienen. Dat betekent overigens niet dat ze de waarschuwing zomaar in de wind kunnen slaan.