Rechtbank Gelderland 8 juni 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:4254. Op grond van art. 5.1, lid 1, onder a Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Bkl staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In art. 8.0a, lid 2 Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een BOPA alleen wordt verleend met het oog op ETFAL.

Eiser betoogt dat de verleende omgevingsvergunning is verleend in strijd met bijlage IIa behorend bij de artt. 3.48d en 3.48f Bal. Eiser stelt dat bij een omgevingsvergunning die ziet op een bouwactiviteit ook aan de voornoemde bepalingen uit het Bal moet worden getoetst. De gronden waarop de speelplek is gesitueerd zijn vervuild met puin, glas en asbesthoudend materiaal en om die reden levert de bodemkwaliteit een onaanvaardbaar risico voor de gebruikers van de speeltuin en de omwonenden, aldus eiser.
In de beslissing op bezwaar is het volgende voorschrift verbonden aan de BOPA:
’De speeltuin kan niet eerder in gebruik worden genomen, nadat een schonegrondverklaring is afgegeven.’
De rechtbank overweegt dat, anders dan eiser stelt, het college geen omgevingsvergunning heeft verleend voor een zogenoemde bouwactiviteit. Het college heeft, blijkens het primaire besluit, alleen een omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het tijdelijk deel van het omgevingsplan gebruiken van gronden met de bestemming ‘Verkeer-Rail’ als speelplaats (een BOPA). De stelling van eiser dat het gebruik van deze betreffende gronden als speelplek in strijd is met ETFAL, volgt de rechtbank niet.
De rechtbank acht hiertoe relevant dat in de beslissing op bezwaar het voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden dat het gebruiken van de gronden niet plaats mag vinden, dan nadat een schonegrondverklaring is afgegeven. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze verklaring ook als zodanig op 10 februari 2025 is afgegeven. Voor zover eiser stelt dat deze verklaring niet afdoende is en daarmee de speelplaats in strijd met het vergunningvoorschrift in gebruik is genomen, is dat een kwestie van handhaving. De beroepsgrond slaagt niet.