Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Exceptieve toetsing voorbereidingsbesluit: gedeeltelijk onverbindend wegens strijd met rechtszekerheid

De Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt in zijn uitspraak van 30 juli 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:7013), exceptief toetsend, dat het voorbereidingsbesluit wegens strijd met artikel 4.14, derde lid, aanhef en onder a, Omgevingswet (“Ow”) gedeeltelijk onverbindend is, omdat en voor zover een van de voorbeschermingsregels ten onrechte niet overeenkomstig de wettekst expliciet vermeldt dat deze ziet op activiteiten die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan.

26 August 2026

Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over de geweigerde omgevingsvergunning voor het bouwen van een woongebouw met circa 300 (overwegend onzelfstandige) studentenwoningen en een circulaire pannenkoekenherberg. Ten tijde van de het indienen van de aanvraag had de gemeenteraad voor die locatie een voorbereidingsbesluit geslagen met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen regels (art. 4.14, eerste lid, Ow). Het voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan met de daarbij vastgestelde voorbeschermingsregels (art. 4.14, tweede lid, Ow) die ertoe strekken te voorkomen dat de locatie minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van het daarmee beoogde doel. Art. 4.14, derde lid, Ow beschrijft in dit verband limitatief de inhoud en reikwijdte van de voorbeschermingsregels. Het TAM-voorbereidingsbesluit is volgens de rechtbank een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Hoewel uitgezonderd van rechtstreeks beroep kan een voorbereidingsbesluit, net zoals dat onder de Wet ruimtelijke ordening mogelijk was (vgl. de Afdelingsuitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4173), volgens de rechtbank wel exceptief worden getoetst. Exceptief toetsend oordeelt de rechtbank dat de letterlijke tekst van art. 2, aanhef en onder a, van het TAM-voorbereidingsbesluit een bredere reikwijdte heeft dan is toegestaan volgens de (limitatieve) opsomming van art. 4.14, derde lid, aanhef en onder a, Ow: in de redactie van een van de voorbereidingsregels ontbreekt namelijk als expliciete voorwaarde dat het ingestelde gebruiksverbod enkel ziet op activiteiten die volgens het omgevingsplan zijn toegestaan. Aan het verweer van het college van burgemeester en wethouders (“college”) dat de betreffende voorbeschermingsregel in samenhang met de wettelijke grondslag van art. 4.14, derde lid, onder a Ow moet worden gelezen (waarin deze zinsnede letterlijk is opgenomen) gaat de rechtbank voorbij: omdat volgens vaste Afdelingsrechtspraak planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk moeten worden uitgelegd (vgl. de Afdelingsuitspraken van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4276 en 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3579) en  het voorbereidingsbesluit het omgevingsplan met voorbeschermingsregels wijzigt (art. 4.14, tweede lid, Ow) acht de rechtbank deze rechtsregel ook van toepassing op voorbeschermingsregels in de zin van art. 4.14 Ow. 

Artikel delen