Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Gedoogplicht onder de Omgevingswet: brede belangenafweging

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de gedoogplichtregelingen uit onder meer de Belemmeringenwet Privaatrecht overgeheveld naar hoofdstuk 10 van de Omgevingswet. Het bevoegd gezag – vaak is dat de minister – kan met een gedoogplichtbeschikking de aanleg en instandhouding van werken van algemeen belang op gronden van derden mogelijk maken. De kerncriteria voor het opleggen van een gedoogplichtbeschikking zijn neergelegd in artikel 10.11 Ow. Die criteria (die hun oorsprong vinden in de oude gedoogplichtregelingen en daarop gebaseerde rechtspraak) houden in dat een initiatiefnemer een redelijke poging tot het vinden van schriftelijke overeenstemming moet hebben gedaan, dat niet meer belemmering plaatsvindt dan nodig en dat de belangen van de rechthebbende onteigening niet vorderen.

23 September 2026

Samenvattingen

Bredere belangenafweging naast artikel 10.11 Ow

Uit twee recente uitspraken van de rechtbanken Amsterdam en Rotterdam (Rb. Amsterdam 1 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7958 en Rb. Rotterdam 31 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10871) volgt dat het bevoegd gezag bij het nemen van een gedoogplichtbeschikking niet alleen moet toetsen aan de criteria uit artikel 10.11 Ow, maar daarnaast een bredere belangenafweging op grond van artikel 3:4 Awb moet verrichten.

In beide uitspraken gaat het om een gedoogplichtbeschikking opgelegd door de minister ten behoeve van de aanleg en instandhouding van ondergrondse 150 kV-hoogspanningsverbindingen door TenneT. In beide gevallen werd de gedoogplicht opgelegd aan een gemeente (Amsterdam respectievelijk Rotterdam, in het laatste geval ook aan het Havenbedrijf Rotterdam).

In beide uitspraken wordt geoordeeld dat naast een toets aan de criteria uit artikel 10.11 Ow, een brede belangenafweging moet plaatsvinden. De rechtbanken verschillen van inzicht over de betekenis die in de belangenafweging moet worden toegekend aan de publieke regierol van de gemeente.

Verschillende benadering van de publieke regierol

De rechtbank Rotterdam zoekt aansluiting bij de rechtspraak van de Afdeling die is gewezen onder de Belemmeringenwet Privaatrecht en benadrukt dat een openbaar lichaam als rechthebbende geen bijzondere positie heeft ten opzichte van andere rechthebbenden. Aan de publieke regierol van de gemeente hoeft volgens de rechtbank dan ook geen bijzonder gewicht te worden toegekend. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1285). De rechtbank Amsterdam oordeelt anders. In de tussenuitspraak van 4 februari 2026 (ECLI:NL:RBAMS:2026:1772) overwoog de rechtbank al dat het voldoen aan de criteria van artikel 10.11 Ow nog niet betekent dat een gedoogplicht moet worden opgelegd. De minister moet daarnaast een bredere belangenafweging verrichten, waarbij ook belangen worden betrokken die niet doorslaggevend zijn bij de toetsing aan de afzonderlijke criteria.

Tot die belangen behoort volgens de rechtbank ook de publieke regierol van de gemeente bij de inrichting van de openbare ruimte. In de einduitspraak van 1 juli 2026 oordeelt de rechtbank Amsterdam dat weliswaar een gedoogplichtbeschikking de publiekrechtelijke bevoegdheden van de gemeente onverlet laat, maar dat de gemeente daardoor wel in haar mogelijkheden om regie te voeren over het gebruik van de openbare ruimte wordt beperkt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de gemeente de aanleg van de hoogspanningsverbindingen al planologisch mogelijk had gemaakt en alternatieven had aangedragen die TenneT eveneens waarborgen boden voor een duurzame en ongestoorde ligging van de verbindingen.

De minister had volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom desondanks een gedoogplichtbeschikking nodig was, en waarom niet met een door de gemeente aangeboden alternatief (zoals het sluiten van een overeenkomst en/of een WIOR-vergunning) kon worden volstaan. De rechtbank vernietigt daarom de gedoogplichtbeschikking.

Gevolgen voor de toepassing van de gedoogplicht

De verplichting om naast de toetsing aan de wettelijke criteria een bredere belangenafweging te verrichten, lijkt hiermee onder de Omgevingswet meer betekenis te krijgen. De Afdeling zal in hoger beroep moeten verduidelijken welke ruimte artikel 10.11 Ow daarvoor biedt en welke betekenis toekomt aan de publieke regierol van een gemeente die zelf rechthebbende is en die in beginsel wil meewerken aan de realisatie van het werk van algemeen belang.

Artikel delen