ECLI:NL:RBMNE:2026:5918 (28 augustus 2026) is een praktijkvoorbeeld waarin de 'strenge' beginselplicht tot handhaving wijkt omdat handhavend optreden in dit concrete geval onevenredig uitpakt.

De feiten in het kort
Eiseres vroeg om handhaving tegen de aanwezigheid van stellages en buitenopslag op een perceel waar een derde-partij al decennialang een bedrijf exploiteert. Het college weigerde handhavend op te treden, waarna eiseres in beroep ging.
Juridische analyse: wel een overtreding, maar geen handhaving
Ik beperk me tot een analyse van het deel van de uitspraak dat ziet op de stellages. De rechtbank loopt de juridische status van de stellages stap voor stap na:
In het bestreden besluit had het college nog gemotiveerd dat de stellages geen bouwwerken waren en dat er geen binnenplanse omgevingsplanactiviteit nodig was. De rechter volgt het college in dit verweer niet (het is wel een overtreding).
De beginselplicht:
Vaste rechtspraak dicteert dat het college in de regel moet handhaven (de beginselplicht), omdat rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie overeenkomt met de juridische. Van deze plicht mag alleen worden afgezien als handhaving onevenredig is door bijzondere omstandigheden. Hoewel er ten tijde van het besluit geen concreet zicht op legalisatie was, oordeelt de rechtbank dat handhaving hier onevenredig is op basis van een optelsom van omstandigheden:
Het college mocht hierdoor op goede gronden afzien van handhavend optreden tegen de stellages.
Tip voor de gemeentejurist
Moet je een vergelijkbare, lang aanhoudende overtreding ( binnenplanse omgevingsplanactiviteit) beoordelen? Mijn advies is om de proportionaliteit dan scherp in kaart te brengen. Leg in het besluit de belangenafweging vast tussen de belangen van de verzoeker en de impact op de gevestigde 'overtreder' (historie, feitelijke hinder en bedrijfsbelang). Onderbouw waarom de drempel voor 'onevenredigheid' in dat specifieke geval wel of niet wordt gehaald.