Rechtbank Midden-Nederland 7 september 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5729. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen expliciet schriftelijk verzoek heeft gedaan om een TAM-procedure op te starten. Impliciet is wel aannemelijk gemaakt dat het TAM-omgevingsplan op eisers initiatief tot stand is gebracht. Uit de vele e-mails tussen een medewerker van de gemeente en eiser wordt duidelijk dat het college nog niet toe was aan het in gang zetten van een nieuw omgevingsplan en dat eiser daar niet op wilde wachten.

De actieve rol van eiser bij de totstandkoming van het TAM-omgevingsplan blijkt uit het feit dat eiser zelf de kosten voor het maken van het TAM-omgevingsplan heeft gedragen, een participatiebrief aan de buren heeft gestuurd en deze stukken ter beschikking van de gemeente heeft gesteld. In deze participatiebrief staat: “wij zijn van plan om de bedrijfsbestemming te wijzigen naar een woonbestemming”. Meermaals heeft eiser aan de medewerker van de gemeente laten weten dat hij er belang bij heeft dat de bestemming ‘bedrijven’ zou worden gewijzigd naar ‘wonen’. Daarmee is de conclusie dat op verzoek van eiser het TAM-omgevingsplan tot stand is gebracht en is voldaan aan art. 1:3 lid 3 Awb.
Op grond van art. 229, lid 1, onder b Gemeentewet kunnen leges worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat dat hier het geval is omdat eiser belang heeft bij de wijziging van de bestemming naar ‘wonen’.
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar hierin niet. Het gaat bij het vaststellen van de bestemming van gronden in een omgevingsplan rechtstreeks en vooral om het dienen van het publiek belang. Het (gewijzigd) vaststellen van het omgevingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en houdt niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Er kunnen daarom geen leges worden geheven, hoewel er wel indirect sprake is van een particulier belang, maar juist niet rechtstreeks en in overheersende mate (Hof Arnhem-Leeuwarden van 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776).