De uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 22 juni 2026 (ECLI:NL:RBOBR:2026:4419) illustreert dat het succesvol instellen van beroep niet altijd leidt tot een voor eiseres gunstiger resultaat. Eiseres had in beroep tegen het besluit tot vaststellen van maatwerkvoorschriften ter legalisering van twee padelbanen betoogd dat het college van burgemeester en wethouders (“college”) de geluidbelasting van de padelbanen op haar woning niet op de juiste manier had berekend. Uit een advies van een door haar ingeschakelde deskundige blijkt namelijk dat de werkelijke geluidbelasting, gemeten naar het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, niet 46 dB(A) maar 48 dB(A) is.

De rechtbank geeft haar daarin gelijk: het college had ook de garage bij de woning van eiseres moeten betrekken in het geluidonderzoek en het maximale geluidsniveau in de avonduren tussen 19.00 en 23.00 uur moeten bepalen op 48 dB(A). Omdat de tennisvereniging gedurende het jaar voor langere periodes een padelbaanbezetting van 100% heeft, had het college volgens de rechtbank bovendien moeten uitgaan van deze representatieve bedrijfssituatie en niet van de aangehouden bezettingsgraad van 85%. Met eiseres is de rechtbank daarmee van oordeel dat de opgelegde maatwerkvoorschriften onjuist en niet naleefbaar zijn, zodat deze overeenkomstig vaste Afdelingsrechtspraak moeten worden vernietigd (vgl. de uitspraak van 8 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO6612). Omdat het college zich naar het oordeel in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat dat de bij een maatwerkvoorschrift verhoogde geluidsnorm van 48 dB(A) in dit geval aanvaardbaar is, voorziet de rechtbank in het belang van een finale beslechting van het geschil (art. 8:41a Awb) zelf in de zaak door het correct berekende en naleefbare maatwerkvoorschrift van 48 dB(A) in de plaats te stellen van het vernietigde maatwerkvoorschrift. Ter voorlichting van betrokken partijen wijst de rechtbank erop dat het niet mogelijk is om met maatwerkvoorschriften stemgeluid en piekgeluiden nader te reguleren. Ook wijst de rechtbank erop dat de tennisvereniging nu weliswaar meer geluid mag produceren dan het geval was geweest als eiseres geen beroep had ingesteld, maar dat van een reformatio in peius geen sprake is. Op de regel dat een burger in principe niet slechter af mag zijn door beroep in te stellen bestaan immers verschillende uitzonderingen, namelijk (i) als het betrokken bestuursorgaan na afloop van de procedure hoe dan ook bevoegd zou zijn om alsnog een voor eiseres nadeliger besluit te nemen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0133) en (ii) als sprake is van een besluit waar verschillende partijen tegengestelde belangen hebben (zo volgt uit de wetsgeschiedenis van de Awb: Kamerstukken II, 1992/93, 22495, nr. 6). Beide uitzonderingen doen zich volgens de rechtbank in deze zaak voor.