Een recente uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant verduidelijkt de grenzen van preventieve handhaving. Centraal stond de vraag of een gemeente bij een dreigende overtreding binnen haar grondgebied mag terugvallen op vermeende overtredingen die een bedrijf eerder in andere gemeenten heeft begaan.

Het geschil
In deze procedure stond een asbestinspectiebedrijf tegenover het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden (hierna: het college). Het college had het bedrijf een preventieve last onder dwangsom opgelegd om herhaalde overtredingen van de Omgevingswet en bepaalde NEN-normen te voorkomen. Met “herhaald” doelde het college op overtredingen die het bedrijf volgens hem eerder in andere gemeenten had begaan.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college niet. De rechtbank stelt voorop dat de handhavingsbevoegdheid van een gemeente is beperkt tot haar eigen grondgebied. Dat betekent niet alleen dat een gemeente uitsluitend kan optreden tegen overtredingen binnen de eigen gemeente, maar ook dat een preventieve last onder dwangsom op grond van artikel 5:7 Awb moet zijn gebaseerd op een overtreding of een klaarblijkelijk dreigende overtreding binnen datzelfde grondgebied.
Grenzen aan (preventieve) handhaving
De uitspraak onderstreept dat een preventieve last niet kan worden gebaseerd op een nalevingsverleden buiten de eigen gemeentegrenzen. Ook bij preventieve handhaving moet de gestelde overtreding, of de klaarblijkelijke dreiging daarvan, voldoende verband houden met het eigen grondgebied. Het college kon dat verband niet alsnog creëren door een beroep te doen op artikel 5:2, eerste lid, onder b, Awb of op de toelichting bij de Omgevingswet, omdat daarmee de territoriale bevoegdheidsgrenzen uit artikel 124 Grondwet en de artikelen 108 en 125 Gemeentewet niet opzij kunnen worden gezet.
Gemeenten doen er daarom goed aan een preventieve last primair te baseren op feiten en omstandigheden die betrekking hebben op het eigen grondgebied en niet uitsluitend op een nalevingsverleden elders.
Rb Oost-Brabant 21 juli 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBOBR:2026:5396.
