De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) oordeelt in haar uitspraak van 1 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3798) dat de goede procesorde zich ertegen om pas het instellen van hoger beroep bewijsstukken te overleggen die in een eerder stadium hadden behoren te worden overgelegd. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over een door het college van burgemeester en wethouders (“college”) opgelegde last onder bestuursdwang en daaropvolgende kostenverhaalsbeschikking.

In beroep bij de rechtbank had de wederpartij met succes betoogd dat het college het tegen beide besluiten gerichte bezwaar ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk had verklaard: het college kon volgens de rechtbank, ook nadat het college hiertoe extra tijd werd gegund, namelijk geen bewijs van de aangetekende verzending van het bestuursdwangbesluit overleggen en evenmin duidelijkheid geven over de manier waarop bij de verzending van gewone post in een verzendadministratie bijhoudt. In hoger beroep betoogt het college dat het bestuursdwangbesluit wel tijdig en op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft het college in hoger beroep alsnog een destijds per aangetekende post verzonden en retour ontvangen poststuk overgelegd, evenals een overzicht uit de verzendadministratie waaruit blijkt dat het besluit destijds ook per gewone post verzonden. De Afdeling stelt voorop dat het in beginsel mogelijk is om in hoger beroep nieuwe (bewijs)stukken over te leggen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853). Dit ligt echter anders als die stukken verwijtbaar laat worden ingediend. Volgens de Afdeling heeft de wederpartij tijdens de bezwaarprocedure al op de onjuistheid van de overgelegde envelop als bewijsstuk gewezen. Ook nadat de rechtbank de behandeling van het beroep had aangehouden om het college gelegenheid te geven stukken over te leggen die de aangetekende verzending van het besluit konden aantonen, kwam het college niet met meer bewijstukken dan die op basis waarvan de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Naar het oordeel van de Afdeling had het college de aanvullende bewijsstukken eerder kunnen en moeten inbrengen. Het nu accepteren van de stukken zou volgens de Afdeling betekenen dat het aan wederpartij is om met feiten en omstandigheden te komen op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het bestuursdwangbesluit is ontvangen of aangeboden. Dat kan bijna vier jaar na dato redelijkerwijs niet van haar worden verwacht. Hierdoor heeft het college de wederpartij benadeeld in haar bewijspositie. De Afdeling concludeert dat het in strijd met een goede procesorde is om de in hoger beroep overgelegde stukken bij haar beoordeling te betrekken.