Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Handhavend optreden wegens evident handelen in strijd met specifieke zorgplicht art. 2.11 Bal

Uit de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 21 augustus 2026 (ECLI:NL:RBOBR:2026:5990) volgt dat het college een last onder dwangsom mocht opleggen aan het bedrijf dat evident handelde in strijd met de specifieke zorgplicht van art. 2.11 Besluit activiteiten leefomgeving (“Bal”). In casu had het bedrijf, dat zich onder meer bezighoudt met de op- en overslag van vloeistoffen, zogenoemd spuiwater van (chemische) luchtwassers van verschillende varkenshouderijen in een zogeheten ‘winbag’ opgeslagen. Nadat de winbag lek was geraakt, is een deel van de inhoud in de bodem en de naastgelegen sloot terecht gekomen.

2 September 2026

Samenvattingen

Daarop heeft het college het bedrijf gelast de overtreding van art. 1.7 Omgevingswet (“Ow”) en de specifieke zorgplicht van art. 2.11 Bal te beëindigen en, kort gezegd, de verontreinigde bodem te saneren. De rechtbank overweegt dat, gelet op art. 1.8 Ow, de algemene zorgplicht in art. 1.7 Ow slechts een grondslag voor handhavend optreden biedt als er geen concretere norm in de wet of de onderliggende regelgeving geldt, zoals bijvoorbeeld
art. 2.11 Bal. De algemene zorgplicht in artikel 1.7 van de Omgevingswet heeft daarmee een vangnetfunctie. Om die reden gaat de rechtbank na of art. 2.11 Bal in dit geval een grondslag biedt voor handhavend optreden. Naar het oordeel van de rechtbank moet spuiwater worden aangemerkt als een afvalstof als bedoeld in art. 1.1, eerste lid, Wet milieubeheer: de agrarische bedrijven waar het spuiwater vandaan komt, hebben dit spuiwater immers laten weghalen met het oogmerk om zich ervan te ontdoen. Omdat spuiwater een afvalstof is maar geen gevaarlijke afvalstof of huishoudelijke afvalstof, kwalificeert het bovendien als een bedrijfsafvalstof (zoals gedefinieerd in bijlage 1 Bal). De omstandigheid dat opgeslagen spuiwater kan worden vervoerd en over landerijen kan worden verspreid, maakt dit volgens de rechtbank niet anders. Het opslaan van spuiwater in een winbag op een locatie is een milieubelastende activiteit (als bedoeld in art. 3.184, eerste lid, Bal) waarvoor ingevolge art. 5.1, tweede lid, Ow en art. 3.185, eerste lid, Bal een vergunningplicht geldt, aldus de rechtbank. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de wetsgeschiedenis van art. 5.37 Ow dat het aangeschreven bedrijf in dit geval degene is die de milieubelastende activiteit verricht en daarmee gehouden is de specifieke zorgplicht van art. 2.11 Bal na te leven. Hoewel het opslaan van het spuiwater in een winbag volgens de rechtbank geen ‘evidente schending’ van de specifieke zorgplicht oplevert, is deze constatering op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat de zorgplicht in art. 2.11 Bal wel in acht is genomen. Voor wat betreft de invulling van deze specifieke zorgplicht leidt de rechtbank uit de verplichtingen op basis van het huidige (Ow) en het oude recht (Wet milieubeheer) af dat in dit geval de specifieke zorgplicht inzake het opslaan van spuiwater in ieder geval verplicht tot (i) de opslag in een lekdichte voorziening op een goede ondergrond, (ii) regelmatige controle van deze voorziening en, bij de constatering van lekkage, (iii) het zo snel mogelijk opruimen van de verontreiniging om ernstige bodemverontreiniging te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het aangeschreven bedrijf, gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval, evident en onmiskenbaar de specifieke zorgplicht in art. 2.11 Bal overtreden. De rechtbank concludeert dat daarom in het midden kan blijven of het bedrijf ook de algemene zorgplicht in art. 1.7 Ow heeft overtreden en dat het college in zoverre bevoegd was om met een last onder dwangsom handhavend op te treden. 

Artikel delen