In een uitspraak van 16 september 2026 is de Afdeling weer eens tot het oordeel gekomen dat handhavend optreden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het gaat om een last onder dwangsom, opgelegd voor meerdere bouwactiviteiten die afwijken van de verleende vergunning. Over de afwijkingen loopt al sinds 2019 een legalisatietraject. In die tijd is er door een toezichthouder gezegd dat intern nog het een en ander moet worden getoetst en dat er nog geen aanvraag hoeft te worden ingediend. Vervolgens wordt er een voor appellant nadelige beleidswijziging doorgevoerd.

In het advies van de bezwaarschriftencommissie dat aan het besluit ten grondslag is gelegd, wordt onderkend dat er een voor appellante nadelige beleidswijziging met betrekking tot de splitsing van woningen heeft plaatsgevonden door de vaststelling van een paraplubestemmingsplan. Het college heeft dit ten onrechte niet meegewogen bij het besluit om tot handhaving over te gaan. Er is volstaan met de vaststelling dat het college bevoegd is om beleidswijzigingen aan de raad ter vaststelling aan te bieden. Daarmee wordt voorbijgegaan aan de omstandigheid dat deze beleidswijziging plaatsvond gedurende de periode dat appellant in afwachting was van een nader bericht van de medewerker van de gemeente over het doen van een aanvraag om omgevingsvergunning. Er is niet ingegaan op de vraag of aan appellant, zoals hij aanvoert, een omgevingsvergunning was verleend voor de splitsing, indien hij voor de beleidswijziging een omgevingsvergunning had aangevraagd. Op de zitting heeft het college op die vraag ook geen antwoord kunnen geven. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt. Zie voor de details AbRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5485.