Centraal in deze uitspraak staan diverse handhavingsverzoeken en daaropvolgende besluiten rondom een loonwerkbedrijf en schapenhouderij in Tzummarum. De AbRvS bevestigt haar eerdere rechtspraak dat de inhoud van een handhavingsverzoek bepalend is voor de omvang van het geschil. Een verzoeker kan een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet alsnog uitbreiden met nieuwe vermeende overtredingen.

In deze zaak was aanvankelijk, onder andere, verzocht om handhavend op te treden tegen verharding en een bedrijventerrein binnen een bosbestemming. Tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure werd daarnaast aandacht gevraagd voor de naleving van een beplantingsplan. De rechtbank ging daarop inhoudelijk in en oordeelde dat het college ook op dat punt had moeten handhaven.
De Afdeling corrigeert dat oordeel. Onder verwijzing naar haar eerdere rechtspraak (onder meer de uitspraak van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1130) overweegt zij dat de inhoud van het oorspronkelijke handhavingsverzoek de grenzen van het geding bepaalt. Nieuwe gestelde overtredingen kunnen niet voor het eerst in bezwaar of beroep aan het verzoek worden toegevoegd. Door toch over het beplantingsplan te oordelen, is de rechtbank buiten de omvang van het geschil getreden.
Deze uitspraak is een belangrijke reminder voor zowel verzoekers als bestuursorganen. Wie handhaving wenst van meerdere overtredingen, moet deze vanaf het begin duidelijk in het handhavingsverzoek opnemen. Worden later nieuwe overtredingen geconstateerd, dan zal daarvoor in beginsel een nieuw handhavingsverzoek moeten worden ingediend. AbRvS 15 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4157 (Waadhoeke)