Rechtbank Rotterdam 31 augustus 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10880. Verzoek om handhavend optreden tegen de erfafscheiding, het tuinhuis en de pergola. Voor wat betreft de erfafscheiding en het tuinhuis heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb. Art. 4:6 lid 2 Awb bepaalt namelijk dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan art. 4:5 Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer een bestuursorgaan toepassing geeft aan art. 4:6, lid 2 Awb, de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, toetst of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
Als naar het oordeel van de bestuursrechter het bestuursorgaan terecht meent dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, kan dat de afwijzing van de aanvraag in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd echter tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in art. 4:6 Awb.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het handhavingsverzoek onder de Ow in zoverre geen andere relevante beoordeling van het college vergt dan de eerdere. Op grond van art. 2, aanhef en onder 3 en 12, van bijlage II Bor waren beide bouwwerken vergunningsvrij. De inhoud hiervan is onder de Ow overgenomen in art. 22.27, onder a en f, van het omgevingsplan (de bruidsschat).