Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Hoe zit het ook alweer met een aanlegactiviteit onder de Omgevingswet: wel of niet een bevoegdheid en al dan niet toetsen aan ETFAL?

De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft in een uitspraak van 2 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6330 duidelijk uiteen gezet of er bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit aanleggen wel of niet aan ETFAL moet worden getoetst of enkel aan de beoordelingsregels uit het omgevingsplan.

2 September 2026

Samenvattingen

Het college is (in afwijking van de commissie), gelet op de uitspraak van de rechtbank Gelderland op 5 februari 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:720), van mening dat bij een omgevingsplanactiviteit voor de activiteit aanleggen niet aan ETFAL mag worden getoetst. Volgens het college is artikel 22.281 van het Omgevingsplan niet van toepassing, gelet op de toelichting hierop. Het zou alleen van toepassing zijn op bevoegdheden tot het afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college heeft zich beperkt tot de vraag of de omgevingsvergunning kan worden verleend binnen de toetsingscriteria in artikel 4.6.3. van de planregels. Daaraan wordt volgens het college voldaan.

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een aanlegvergunningenstelsel voor het aanleggen van werken. Hoe moet hiermee worden omgegaan onder de Omgevingswet? Hierover overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Voor oude aanlegvergunningen voorziet artikel 22.278 in een specifieke regeling in het Omgevingsplan met een aparte weigeringsgrond (strijd met voorbereidingsbesluit). Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft een voorbereidingsbesluit van kracht is. Met andere woorden, artikel 22.278 voorziet in een aanvullende weigeringsgrond. Hierin is niet bepaald dat de omgevingsvergunning moet worden verleend.

In artikel 8.0a, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.

In artikel 22.280 van het Omgevingsplan is bepaald dat voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Vervolgens is in artikel 22.281 van het Omgevingsplan bepaald dat voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting wordt gelezen als een bevoegdheid.

Aanlegvergunningenstelsels waren in bestemmingsplannen op tal van verschillende wijzen geformuleerd. Soms zijn deze stelsels dwingend (bijvoorbeeld dat de aanlegvergunning wordt geweigerd als niet wordt voldaan aan de criteria). Soms omvatten deze regels een bevoegdheid om een aanlegvergunning te verlenen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een redelijke uitleg van het Omgevingsplan met zich meebrengt dat, daar waar het voorliggende bestemmingsplan voorzag in een bevoegdheid om een aanlegvergunning te verlenen onder de Wabo, deze bevoegdheid nog steeds bestaat, gelet op artikel 22.281 van het Omgevingsplan. Het bestaan van artikel 22.278 van het Omgevingsplan doet hier niet aan af want dat artikel voorziet alleen maar in een extra weigeringsgrond. Uit artikel 8.0a, eerste lid van het Bkl vloeit dus niet de verplichting voort om deze omgevingsvergunning te verlenen. Bij gebruik van een bevoegdheid heeft het college beoordelingsruimte en kan het college andere aspecten betrekken. Artikel 2.1, eerste lid onder b, van de Wabo en artikel 2.11, eerste lid van de Wabo verplichtten het college echter niet om te toetsen of sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Strijd met een goede ruimtelijke ordening was dus geen weigeringsgrond. Alleen als de omgevingsvergunning in strijd was met de beoordelingscriteria in het aanlegvergunningenstelsel, verplichtte artikel 2.11, tweede lid van de Wabo het college tot een toetsing aan goede ruimtelijke ordening.

In dit geval kan uit het aanlegvergunningenstelsel in de planregels niet direct worden afgeleid of sprake is van een bevoegdheid of een verplichting om de aanlegvergunning te verlenen. In artikel 4.6.3 van de planregels is bepaald dat de aanlegwerkzaamheden slechts toelaatbaar zijn als wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter duidt dit op het bestaan van een bevoegdheid met een aantal minimum eisen. Een van die eisen is dat door de (in)directe gevolgen van de werkzaamheden de aanwezige waarden of bescherming van het wonen in relatie tot de omringende waterberging niet onevenredig worden aangepast. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat de planwetgever met de aanwezige waarden, heeft bedoeld de waarden die worden genoemd in artikel 4.1 van de planregels, waaronder de cultuurhistorische waarden. Als sprake is van een onevenredige aantasting van bijvoorbeeld de cultuurhistorische waarden, dan zijn de werkzaamheden niet toelaatbaar en mag de aanlegvergunning niet worden verleend en zijn de werkzaamheden in strijd met de bestemming. Als het college dan desondanks toch de omgevingsvergunning wil verlenen zal het college moeten afwijken van de planregels. In dat geval zal het college ook moeten toetsen aan ETFAL.

Artikel delen