Waterschappen voeren in procedures over wateractiviteiten regelmatig aan dat omwonenden zich niet op ecologische normen kunnen beroepen. De gedachte: die normen beschermen het algemene ecologische belang en niet het individuele belang van omwonenden. Artikel 8:69a Awb zou dan aan vernietiging in de weg staan.

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland gaat daar in een recente uitspraak niet in mee.
De verzoekers wonen vlak bij het water en hebben vanaf hun percelen uitzicht op het water en het rieteiland. Volgens de voorzieningenrechter is hun belang bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon en leefomgeving daarom zo verweven met het algemene belang dat de Omgevingswet en de waterschapsverordening beogen te beschermen, dat het relativiteitsvereiste niet aan een inhoudelijke beoordeling in de weg staat.
Dat oordeel is relevant voor procedures waarin omwonenden opkomen tegen wateractiviteiten vanwege de gevolgen voor natuur en ecologie. De enkele stelling dat ecologische normen een algemeen belang beschermen, is dus niet voldoende. De feitelijke relatie tussen de woon en leefomgeving van een appellant en het gebied waarop die normen betrekking hebben, kan doorslaggevend zijn.
Ook inhoudelijk liep het waterschap hier tegen een probleem aan. Het had in bezwaar zijn ecologische beoordeling gewijzigd, maar de onderzoeken en gegevens waarop die wijziging volgens het waterschap was gebaseerd, waren niet overgelegd. Ook was niet kenbaar getoetst aan de toepasselijke beleidsregel over de ecologische inrichting van het watersysteem.
De voorzieningenrechter schorst het besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb. Tot de uitspraak in de bodemprocedure mogen de fluisterboten alleen aan de westzijde van het rieteiland varen.