Zoals uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt, is voor het invorderen van een verbeurde dwangsom vereist dat uit een rapportage van bevindingen volgt dat de relevante feiten en omstandigheden voor de overtreding deugdelijk en controleerbaar zijn vastgesteld. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen.

De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd.
In dit geval (ECLI:NL:RBNNE:2026:3017) is het college van Súdwest-Fryslân er niet (voldoende) in geslaagd aan te tonen dat sprake was strijdig gebruik door het gebruik van gronden voor verblijfsdoeleinden. Daarvoor is het feit dat de aangetroffen toercaravan is aangesloten op stroom en vuilwater en de pootjes zijn uitgedraaid onvoldoende. Niet is immers vastgesteld dat personen aanwezig waren. Daarmee vervalt de grondslag voor invordering.
Overigens komt de rechtbank Noord-Nederland in haar uitspraak ook tot de conclusie dat de zinssnedes in de opgelegde last onder dwangsom "te verwijderen en verwijderd te houden;" en "te staken en gestaakt te houden" niet ziet op toekomstige situaties. Daarvoor vereist het rechtszekerheidsbeginsel een uitvoeriger last.