ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5522. Artikel 22.1 van de planregels luidt: "De voor 'Wonen - Landgoed' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de huisvesting van personen in landhuizen, alsmede voor het behoud en herstel van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarden;
b. ter plaatse van de aanduiding 'wonen': wonen;
Volgens artikel 22.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de gronden bestemd voor de huisvesting van personen in landhuizen. Volgens artikel 22.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn deze gronden ter plaatse van de aanduiding "wonen" bestemd voor wonen. Die aanduiding heeft het perceel niet. De vraag die partijen verdeeld houdt, is hoe "huisvesting van personen" in dit geval moet worden uitgelegd. Het college stelt zich op het standpunt dat er ter plaatse alleen mag worden gewoond, omdat er binnen de bestemming "Wonen-Landgoed" geen aanduidingen zijn die vormen van recreatief verblijf mogelijk maken. Wederpartijen stellen dat de termen "wonen" en "huisvesting" geen synoniemen van elkaar zijn en dat de huisvesting van personen niet is beperkt tot wonen.
De planregels bevatten geen omschrijving van de termen "huisvesting" of "wonen". De Afdeling deelt de opvatting van het college dat de term "wonen" in het algemeen spraakgebruik een zekere duurzaamheid vereist. De Afdeling deelt echter ook de opvatting van wederpartijen dat de term "huisvesting" een ruimere strekking heeft. Volgens "Van Dale" is "huisvesting" een gelegenheid om te verblijven en is "huisvesten" een (tijdelijk) verblijf verschaffen. Omdat in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de planregels niet is geregeld welk doel de huisvesting moet dienen, is huisvesting ten behoeve van een recreatief verblijf niet uitgesloten. De Afdeling is daarom van oordeel dat het verschaffen van recreatief verblijf niet in strijd is met artikel 22.1, aanhef en onder a, van de planregels.