ABRvS 30 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5779. Bij besluit van 2 november 2021 heeft het college de last onder dwangsom op verzoek van MSV de Prikkedam ingetrokken, met toepassing van het door hem op 17 december 2019 vastgestelde beleid in het quot;Toezicht- en handhavingsplan motorcrossterrein “De Prikkedamquot;. Daarin staat dat als er bij zes opeenvolgende geluidsmetingen geen overtreding wordt vastgesteld, een opgelegde last onder dwangsom wordt ingetrokken. Volgens het college zijn in dit geval bij elf opeenvolgende geluidsmetingen door een toezichthouder van de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO), die zijn uitgevoerd op verschillende beoordelingspunten, geen overtredingen vastgesteld.

[appellant A] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de last onder dwangsom niet met toepassing van het Toezicht- en handhavingsplan mocht intrekken, omdat de in art. 5:34, lid 2 Awb genoemde termijn van een jaar na de oplegging van de last nog niet was verstreken. Art. 5:34, lid 2 Awb luidt: Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.
Art. 5:34 Awb houdt geen beperking in van de algemene bevoegdheid die het bevoegd gezag toekomt om, al dan niet op een verzoek, een eerder genomen besluit te wijzigen of in te trekken. Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:644, onder 9.1, zijn in art. 5:34 Awb twee situaties genoemd die aanleiding kunnen geven om een last op te heffen, maar kunnen ook andere, niet in dat artikel bedoelde omstandigheden tot opheffing van de last leiden.
Voor toepassing van die algemene bevoegdheid tot intrekking van een last onder dwangsom is niet vereist dat een jaar moet zijn verstreken zonder dat de dwangsom is verbeurd. Het stond het college dan ook vrij om beleid vast te stellen dat onder omstandigheden de mogelijkheid biedt om een last eerder in te trekken.
