De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak van 5 augustus 2026 geoordeeld dat een mondeling opgelegde last onder bestuursdwang, ondanks het ontbreken van een schriftelijk besluit, voor de rechtsbescherming toch met een besluit moet worden gelijkgesteld. Een gemeente die een overtreder telefonisch of ter plaatse een termijn stelt om zelf een overtreding te beëindigen, en daarbij laat blijken dat bij het uitblijven daarvan onmiddellijk feitelijk zal worden opgetreden, kan zich er dus niet op beroepen dat er geen besluit is genomen waartegen bezwaar en beroep openstaat. Daarmee zet de Afdeling een streep door een praktijk waarbij effectieve rechtsbescherming afhankelijk werd gemaakt van de bereidheid van het bestuursorgaan om zijn eigen optreden op schrift te stellen.

Appellant had een vergunning om van 8 november tot en met 3 december 2021 een steiger op het trottoir bij zijn pand te plaatsen. Op 3 december was hij nog niet klaar en liet hij de steiger staan. Na een melding stelden toezichthouders op 22 december vast dat de steiger er nog stond en gaven zij telefonisch aan dat deze uiterlijk 24 december verwijderd moest zijn. Op 24 december kreeg appellant bij een nieuwe controle nog maar één uur: de steiger moest voor 15.00 uur weg zijn, anders zou een steigerbouwer die namens de gemeente ter plaatse stond, dit op zijn kosten doen. Appellant liet de steiger daarop zelf tijdig verwijderen door zijn eigen steigerbouwer. Vervolgens vroeg hij het college de op 24 december genomen "last" op schrift te stellen, omdat een last onder bestuursdwang volgens hem altijd bij besluit moet worden opgelegd. Het college weigerde dit.
De rechtbank stelde het college in het gelijk: nu appellant de steiger zelf tijdig had verwijderd, was er geen (super)spoedeisende bestuursdwang toegepast, en een mondeling geboden herstelmogelijkheid kon niet gelden als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Voor rechtsbescherming verwees de rechtbank naar de civiele rechter.
De Afdeling denkt hier anders over. Zij overweegt dat een last onder bestuursdwang uit twee elementen bestaat: de last om de overtreding ongedaan te maken, en de bevoegdheid van het bestuursorgaan om dit zelf te doen als de overtreder dit niet tijdig doet. Anders dan de rechtbank oordeelde, is dus niet beslissend of het bestuursorgaan daadwerkelijk tot feitelijke uitvoering is overgegaan; een gewone last onder bestuursdwang is er juist op gericht dat de overtreder zelf handelt, zodat toepassing van bestuursdwang wordt voorkomen. Omdat appellant de gelegenheid kreeg om zelf te herstellen, was er geen sprake van spoedeisende bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31 van de Awb, maar had de gang van zaken op 22 en 24 december wel alle kenmerken van een gewone last onder bestuursdwang: een omschreven herstelmaatregel, een termijn en bekendmaking aan de overtreder. Dat de toezichthouder op 24 december werd vergezeld door een steigerbouwer die klaarstond om de last feitelijk uit te voeren, onderscheidt deze zaak bovendien van de situatie in de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3550), waarin slechts om een plan van aanpak was gevraagd en geen uitvoerder gereedstond. Appellant mocht in deze omstandigheden dus redelijkerwijs aannemen dat hem een last onder bestuursdwang werd opgelegd. Ook het argument van het college dat de toezichthouder niet bevoegd zou zijn geweest om zelfstandig een last op te leggen, baat het college niet: eventuele onbevoegdheid van de toezichthouder komt niet voor risico van de burger die daarop mocht vertrouwen.
Het kernpunt van de uitspraak zit in de rechtsbeschermingsvraag. Omdat het college de mondelinge last niet op schrift stelde, ontbrak een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, en dus in beginsel ook een met bezwaar en beroep aanvechtbare beslissing. De Afdeling accepteert dat gevolg niet: tegen een mondeling opgelegde last onder bestuursdwang moet, onder de hier geschetste omstandigheden, rechtsbescherming bij de bestuursrechter openstaan. Uit oogpunt van efficiënte rechtsbescherming stelt de Afdeling de mondeling opgelegde last daarom gelijk met een besluit. Het college moet daardoor alsnog een inhoudelijk besluit op bezwaar nemen over de last en appellant krijgt alsnog de gelegenheid zijn bezwaren toe te lichten.
ABRvS 5 augustus 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:4600.
