De Rechtbank Noord-Holland oordeelt in zijn uitspraak van 9 juli 2026 (ECLI:NL:RBNHO:2026:8295) dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat terecht een op art. 2, vijfde lid, Belemmeringenwet Privaatrecht (“BP”) gebaseerde gedoogplicht aan de (publiekrechtelijke rechtspersoon) gemeente heeft opgelegd die ertoe verplicht om twee nieuw aan te leggen ondergrondse 150 kV-hoogspanningsverbindingen op gemeentegrond te gedogen.

De netbeheerder had de minister hierom verzocht, ondanks geuite bezwaren van de gemeente als grondeigenaar tegen het opleggen van een gedoogplicht. In beroep betoogt de gemeente dat zij zich niet verzet tegen de aanleg van de hoogspanningsverbinding, waarvoor inmiddels op grond van de lokale verordening voor ondergrondse infrastructuur een publiekrechtelijke vergunning is verleend en privaatrechtlijke toestemming is gegeven. Het verzet tegen de gedoogplicht is ingegeven door het feit dat de gemeente en de netbeheerder het niet eens kunnen worden over de vraag wie de kosten van een eventuele toekomstige verplaatsing van het hoogspanningsnetwerk zal dragen. De rechtbank overweegt dat een gedoogplicht kan worden opgelegd, indien met de betrokken rechthebbende van de grond geen minnelijke overeenstemming is bereikt en ook aan de overige wettelijke voorwaarden voor oplegging van een gedoogplicht is voldaan. Uit rechtspraak volgt ook dat het niet onredelijk is dat de netbeheerder met een zakelijk recht (bijvoorbeeld een opstalrecht) of een gedoogplicht een duurzaam ligrecht nastreeft met het oog op de veiligheid en leveringszekerheid van het hoogspanningsnetwerk; alleen met een zakelijk recht is immers geborgd dat derden en rechtsopvolgers de aanwezigheid van de hoogspanningsverbinding hebben te dulden (vgl. de
Afdelingsuitspraak van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1285). Omdat uit het procesdossier kort gezegd blijkt dat de netbeheerder en de gemeente minnelijk overleg hebben gevoerd over het vestigen van een zakelijk recht en de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorstellen die de netbeheerder in dat verband heeft gedaan niet onwerkelijk en onredelijk waren, concludeert de rechtbank dat de minister terecht heeft besloten tot het opleggen van de gedoogplicht.