Er was een omgevingsvergunning verleend onder de Wabo voor het vellen van een houtopstand (347 bomen). Echter, er was onterecht geen vergunning verleend voor de bijbehorende aanlegactiviteit. De activiteiten waren op grond van artikel 2.7 van de Wabo onlosmakelijk met elkaar verbonden. De aanvraag was onder de Wabo dus onvolledig. De Rechtbank Den Haag deed op 25 augustus 2026 hierover uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2026:24772).

De vraag
Hoe gaat de rechter hiermee om? Onder de huidige Omgevingswet is die strenge onlosmakelijkheid immers verleden tijd. Kan de rechter dit gebrek passeren?
Het oordeel van de rechtbank
Nee, de rechtbank ziet geen ruimte om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
De motivering hiervan is als volgt: onder de Omgevingswet is een vergunninghouder niet langer verplicht om bij een omgevingsplanactiviteit gelijktijdig een aanlegactiviteit aan te vragen. Op deze specifieke Wabo-aanvraag en het bestreden besluit blijft op grond van de Invoeringswet Omgevingswet echter de Wabo van toepassing. Omdat er geen sprake is van een nieuwe aanvraag, zou het toepassen van artikel 6:22 in dit geval betekenen dat de rechtbank een niet-toepasselijk rechtsregime als beoordelingskader gebruikt. En daar is juridisch gezien geen ruimte voor.
Gevolg
De beroepen zijn gegrond verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd en het college zal vergunninghoudster alsnog in de gelegenheid moeten stellen om de aanvraag aan te vullen.