Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Ook zonder medewerking van het college kan concreet zicht op legalisatie bestaan

Op 1 mei 2026 deed de rechtbank Den Haag een interessante uitspraak over concreet zicht op legalisatie. Volgens vaste rechtspraak ontbreekt dat in beginsel als voor legalisatie een afwijking van het bestemmingsplan nodig is en het college daaraan niet wil meewerken. In deze zaak toetst de rechtbank die weigering echter inhoudelijk en acht zij die niet houdbaar.

2 June 2026

De zaak betreft drie besluiten: een last onder dwangsom wegens een zonder omgevingsvergunning gebouwd dakterras, een buiten behandeling gelaten aanvraag om dat dakterras te legaliseren en een beschikking tot invordering van een verbeurde dwangsom.

De rechtbank bespreekt eerst de aanvraag om de omgevingsvergunning. Volgens het college was geen sprake van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb, omdat eiser daarbij geen belanghebbende zou zijn. Het college wees erop dat het dakterras niet kon worden gerealiseerd zonder privaatrechtelijke toestemming van de buren. De rechtbank overweegt echter dat daarvan alleen sprake is als (i) de activiteit ziet op gronden van een ander, (ii) die rechthebbende geen toestemming wil geven en (iii) realisatie tegen diens wil in onmogelijk is. Uit verschillende stukken, waaronder een proces-verbaal van de kantonrechter, bleek volgens de rechtbank juist dat verschillende buren het dakterras hadden geaccepteerd. Het college had de aanvraag daarom ten onrechte buiten behandeling gelaten.

Dan de last onder dwangsom. Het college stelde dat concreet zicht op legalisatie ontbrak, omdat het niet bereid was mee te werken aan de voor legalisatie vereiste afwijking van het bestemmingsplan. De rechtbank wijst echter op de uitzondering dat dit anders kan zijn als dat standpunt op voorhand rechtens onhoudbaar is. Hoewel daarbij een zeer terughoudende toets past, doet die uitzondering zich hier volgens de rechtbank voor. Ter zitting had het college namelijk verklaard dat de enige reden voor weigering van de vergunning was gelegen in het ontbreken van toestemming van de buren, oftewel een evidente privaatrechtelijke belemmering. Juist omdat al twijfel bestond of die toestemming inderdaad ontbrak, was van zo’n evidente belemmering geen sprake. Het college had daarom onvoldoende gemotiveerd dat concreet zicht op legalisatie ontbrak.

Deze uitspraak is van belang voor de handhavingspraktijk, omdat daaruit blijkt dat concreet zicht op legalisatie ook mogelijk kan zijn als het college niet bereid is een planologische afwijking te vergunnen. De motivering van die weigering kan in een handhavingsprocedure worden getoetst, al zal die toets in de regel zeer terughoudend blijven. Verder bevestigt deze uitspraak opnieuw de beperkte rol van het privaatrecht bij vergunningverlening: alleen in overduidelijke gevallen kan het bevoegd gezag daaraan doorslaggevende betekenis toekennen.