In de (tussen) uitspraak van Voorzieningenrechter van de Rb Zeeland- West Brabant d.d. 1 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4860 wordt beoordeeld of het college van Moerdijk terecht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (met binnenplanse afwijking) voor het vestigen van een kinderopvanglocatie heeft kunnen verlenen. Naast het verzoek voorlopige voorziening, doet de voorzieningenrechter een uitspraak in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter schrijft het toetsingskader volledig uit. Verwijst naar de beoordelingsregels in art. 8.0a Bkl en 22.281 van het omgevingsplan, onderdeel Bruidsschat, waaruit volgt dat het college bij het verlenen van een binnenplanse afwijking beoordelingsvrijheid heeft. Het college moet de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de beleidsruimte met een ETFAL toets onderbouwen. De wetgever heeft bedoeld voor de invulling van het begrip ETFAL de onder het oude recht geldende norm van een goede ruimtelijke ordening te continueren. Dit betekent dat het college bij zijn besluitvorming ook milieugevolgen en ruimtelijke aspecten moest betrekken. Het college heeft in het bestreden besluit geen expliciete afweging van de ETFAL opgenomen. De voorzieningenrechter constateert ambtshalve dat dit een gebrek is in het bestreden besluit. Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat het college het besluit terecht heeft getoetst aan artikel 22.63 omgevingsplan, onderdeel bruidsschat. Uit het akoestisch onderzoek van 19 februari 2025 blijkt niet dat er een toets aan deze geluidsnormen heeft plaatsgevonden. En ook de parkeerberekening kent verschillende gebreken.
Op grond van artikel 8:51a lid 1 Awb doet de voorzieningenrechter een tussenuitspraak, waardoor het college binnen een termijn van 6 weken de gelegenheid krijgt deze gebreken in het bestreden besluit te herstellen. En het college moet om nodeloze vertraging te voorkomen binnen twee weken, meedelen aan de voorzieningenrechter of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.