Rechtbank Midden-Nederland 9 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3540. Het consortium en eisers voeren beiden aan dat het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) bij het verlenen v.d. omgevingsvergunning onvoldoende rekening heeft gehouden met de integrale planvorming voor de gebiedsontwikkeling polder Rijnenburg. Door nu voorrang te geven aan het vergunnen v.d. wateractiviteiten voor de aanleg v.h. windpark, kunnen andere plannen binnen de totale gebiedsontwikkeling mogelijk worden belemmerd. Dit achten het consortium en eisers in strijd met de doelstellingen van de Omgevingswet, die volgens hen zien op een meer integrale benadering van het omgevingsrecht.

Het is de rb. duidelijk dat het op bestuurlijk niveau nog geen uitgemaakte zaak is hoe de totale gebiedsontwikkeling van de polder Rijnenburg vorm zal moeten krijgen. Dat is ook op de zitting aan de orde gekomen. Ook begrijpt zij dat een integrale besluitvorming voor het gehele plangebied – inclusief het windpark – in het belang van het consortium en eisers is. Maar in deze procedure kan de rechtbank daar verder geen oordeel over geven. Aan de rechtbank ligt in deze procedure alleen de omgevingsvergunning wateractiviteit ter beoordeling voor.
Bij deze beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de wetgever met de invoering van de Ow de initiatiefnemer van een ontwikkeling de vrijheid heeft gegeven om de volgorde voor het indienen van aanvragen te bepalen. Ook heeft de wetgever in de Ow niet langer bepaald dat bepaalde activiteiten onlosmakelijk met elkaar verbonden zouden zijn. Dit betekent dat een initiatiefnemer op grond van de wet voor elke activiteit een gesplitste aanvraag mag indienen, waarbij meerdere bestuursorganen ieder zelfstandig aan de hand voor het voor die activiteit geldende beoordelingskader moeten besluiten op de voorliggende aanvragen.
Het HDSR kan als functioneel bestuursorgaan geen bevoegdheden uitoefenen die buiten zijn takenpakket vallen en kan dus niet besluiten op meervoudige aanvragen waarbij andere activiteiten dan wateractiviteiten zijn betrokken.
Er geldt op grond van de Ow ook geen verplichte coördinatie tussen de omgevingsvergunning wateractiviteit en ruimtelijke besluiten over het bouwen van het windpark. Er is dus geen rechtsregel op grond waarvan het HDSR de aanvraag die vergunninghouder heeft ingediend had moeten aanhouden tot de ruimtelijke besluiten onherroepelijk zijn of tot de planvorming van de totale gebiedsontwikkeling en de daarbij behorende opgaven voor de waterhuishouding in de gehele polder Rijnenburg meer vorm heeft gekregen.