Het college van B&W van Den Haag heeft een dwangsom opgelegd vanwege het in strijd met de Huisvestingswet onzelfstandig bewonen van een woning door meer dan twee personen. De last is opgelegd aan de eigenaar van het pand, die aanvoert dat hij niet van de overtreding wist en niet als overtreder kan worden aangemerkt. Zij heeft de woning regelmatig gecontroleerd en heeft tegenover het stel waarmee zij zaken deed benadrukt dat de woning niet in gebruik mocht worden gegeven aan anderen en dat ook geen extra slaapplaatsen gecreëerd mochten worden om andere personen te laten overnachten. De enkele stelling dat zij een gewaarschuwd mens was en dat zij zich actief had moeten inspannen om de overtreding beëindigd te houden, is volgens de eigenaar ontoereikend, ook al heeft zij een voorgeschiedenis. Zij kan niet meer doen dan haar best, aldus de eigenaar.

De Afdeling herhaalt allereerst nog eens hoe artikel 5:1, lid 2 Awb, op grond waarvan overtreder verstaan degene die wordt verstaan die de overtreding pleegt of medepleegt, volgens vaste rechtspraak wordt uitgelegd. Overtreder is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Voor beantwoording van de vraag of een ander als functionele pleger van de overtreding kan worden aangemerkt, moet worden aangesloten bij bij strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap, zoals die zijn geformuleerd door de strafkamer van de Hoge Raad. Voor natuurlijke personen komt dit erop neer dat een (verboden) gedraging in redelijkheid aan de verdachte als (functioneel) dader kan worden toegerekend, indien deze erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en indien zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte werd aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Het bestuursorgaan moet bewijzen dat aan de criteria voor functioneel daderschap is voldaan.
Toegepast op deze zaak stelt de Afdeling vast dat appellante als eigenaar beschikkingsmacht had over de omzetting van de woning in onzelfstandige woonruimten zonder de daarvoor benodigde vergunning. Deze overtreding houdt namelijk direct verband met de wijze waarop de woning wordt gebruikt. De eigenaar van een woning kan in de regel beschikken over dergelijk gebruik van zijn woning, ook als hij deze heeft verhuurd. Maar de Afdeling oordeelt vervolgens dat het college niet heeft aangetoond dat appellante de overtreding heeft aanvaard. Eén van de nieuwe bewoners heeft verklaard dat zij met zes personen in de woning wonen, maar dat zij nog geen huur hebben betaald en dat appellante pas over enkele weken na de controle voor het eerst langs zou komen om de huur op te halen. Zij hadden nog geen borg betaald. Appellante had wel de sleutel aan hen overgedragen, maar uit de verklaring blijkt niet dat appellante bij die sleuteloverdracht heeft ingestemd met bewoning door alle zes de personen die op het moment van de controle in de woning verbleven. De Afdeling overweegt verder dat appellante niet kan worden verweten dat zij de woning nog niet heeft gecontroleerd, nu de controle plaatsvond aan het begin van een nieuwe huurperiode. Zie voor de details AbRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5312.