Bestaande illegale bebouwing slopen en vervangen door een nieuwe berging: de valkuil van een gesplitst perceel, geen vergunning via overgangsrecht, de strenge bewijslast en de afrekening met het gelijkheidsbeginsel (als een melding/ handhavingsverzoek ontbreekt).

De feiten in het kort (ECLI:NL:RBDHA:2026:21254 d.d. 23 juli 2026)
De eigenaar van een recreatiewoning sloopte twee oude, vervallen schuren op een naastgelegen perceel wegens instortingsgevaar. Hij bouwde hiervoor in de plaats een nieuwe berging zonder omgevingsvergunning. De gemeente legde een last onder dwangsom op. De eigenaar ging in beroep, maar de rechtbank stelde de gemeente in het gelijk.
De uitspraak bevat vier belangrijke juridische lessen:
De eigenaar stelde vergunningvrij te kunnen bouwen, omdat het perceel met de berging naast zijn recreatiewoning lag. De rechtbank oordeelde echter anders. Het hoofdperceel en het nevenperceel worden gescheiden door een sloot (met de bestemming "Water"). Daardoor vormen ze planologisch en fysiek geen aaneengesloten geheel. Het nevenperceel behoort niet tot het erf van de hoofdbebouwing, waardoor de berging niet als 'vergunningvrij bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied' kon worden aangemerkt.
Ook beriep de eigenaar zich op het overgangsrecht, omdat de oorspronkelijke schuren er al sinds jaar en dag stonden. De rechtbank is hier heel duidelijk over, in lijn met vaste jurisprudentie van de Raad van State: een succesvol beroep op het overgangsrecht voor bouwwerken levert geen omgevingsvergunning op; het zorgt er hooguit voor dat bouwwerken onder voorwaarden mogen blijven staan.
De eigenaar claimde dat de oude schuren door een storm teniet waren gegaan en vervangen konden worden (calamiteitenovergangsrecht). De rechter oordeelde dat de plicht om dit aannemelijk te maken volledig bij de eigenaar ligt. Hij moest met stukken of foto's de bouwkundige staat vóór de storm aantonen én bewijzen om welke storm het ging. Dat lukte niet. Daardoor werd aangenomen dat de schuren door achterstallig onderhoud (en niet door een calamiteit) waren ingestort.
Tot slot wees de eigenaar naar andere percelen in de buurt waar de maximale bebouwing van 85 m² ook werd overschreden, maar waar de gemeente niet handhaafde. De rechtbank oordeelde dat dit geen schending van het gelijkheidsbeginsel opleverde. Waarom niet? Omdat er in het geval van de eiser een melding was gedaan door een omwonende. De gemeente mag in haar beleid prioriteit geven aan handhaving bij concrete verzoeken of meldingen. Omdat bij de andere, door de eiser aangedragen casussen geen melding of handhavingsverzoek lag, waren dit juridisch gezien geen vergelijkbare gevallen.