Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Parkeervergunningen, het 'nulplafond' en de grenzen van de hardheidsclausule

In een recente zaak bij de Rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2026:8324 d.d. 17 augustus 2026, draaide het om de afwijzing van een parkeervergunning voor bewoners. De feiten zijn als volgt: een bewoonster vraagt een parkeervergunning aan (op basis van de Parkeerverordening 2013), maar de gemeente wijst de aanvraag af omdat haar adres in een deelvergunninggebied ligt waar het vergunningenplafond is vastgesteld op nul (in het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2013).

26 September 2026

Samenvattingen

Vraag: mag er worden gewerkt met specifieke gebieden en een nulplafond?

De rechtbank bevestigt dat dit volgens vaste jurisprudentie is toegestaan. Het instellen van een nulplafond in een bepaald deelvergunninggebied is een politieke keuze van de gemeente, gericht op het reguleren en terugdringen van het autogebruik. De gemeente heeft de beleidsvrijheid om dit lokaal zo in te richten.

Vervolgvraag: is dure particuliere huur of een verwijzing naar een gebied waar wél vergunningen worden verleend (gelijkheidsbeginsel) een reden om af te wijken?

Dat bewoners in een direct naastgelegen deelvergunninggebied wel een vergunning kunnen krijgen, levert geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel. Omdat het om verschillende gebieden gaat, is er juridisch gezien namelijk geen sprake van gelijke gevallen.
De bewoonster bracht naar voren dat de weigering onevenredig zwaar op haar dagelijks leven drukte, omdat zij door het nulplafond werd gedwongen een parkeerplaats in haar gebouw te huren voor €165,- per maand, terwijl de bewonersvergunning in het naastgelegen gebied slechts €6,22 per maand kost. De rechtbank oordeelde dat ook de hoge kosten geen reden zijn om van het beleid af te wijken. Een beroep op de hardheidsclausule kan slechts bij hoge uitzondering slagen voor situaties die de wetgever niet heeft voorzien, zoals schrijnende gevallen waarbij iemand levensbedreigend ziek is. De situatie van de bewoonster is vanuit praktisch oogpunt lastig, maar niet uitzonderlijk. Er zijn veel inwoners in gebieden met een nulplafond die een hoge huur betalen en afhankelijk zijn van een auto voor woon-werkverkeer. Dat de weigering aanzienlijke meerkosten met zich meebrengt is nadelig, maar maakt het besluit niet zo onevenwichtig dat de gemeente de Parkeerverordening opzij had moeten zetten. Het beroep is dan ook ongegrond verklaard.

Conclusie

Deze uitspraak is een duidelijke bevestiging dat de gemeente haar lokale mobiliteitsbeleid effectief en met ruime beleidsvrijheid mag vormgeven via de uitgifte (of juist weigering) van parkeervergunningen. De drempel voor bewoners om hier via het gelijkheidsbeginsel of de hardheidsclausule doorheen te breken, ligt buitengewoon hoog, zelfs bij forse financiële consequenties.

Artikel delen