De Afdeling oordeelt in een uitspraak van 5 augustus 2026 dat het procedeerverbod voor decentrale overheden van artikel 1.4 Chw verenigbaar is met het Verdrag van Aarhus; effectieve rechtsbescherming loopt via de civiele rechter en er zijn geen prejudiciële vragen noodzakelijk (ECLI:NL:RVS:2026:4577).

De staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei heeft omgevingsvergunningen verleend aan Hoogweg Aardwarmte die onder de reikwijdte vielen van de Crisis- en herstelwet (“Chw”). Tegen deze besluiten is het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel (“GS”)in beroep gegaan bij de rechtbank Overijssel. De vraag is of dat kon, gelet op artikel 1.4 Chw. Dat artikel houdt kort gezegd in dat decentrale overheden niet in beroep kunnen tegen niet aan hen gerichte besluiten die onder de reikwijdte van de Chw vallen (hierna gemakshalve aangeduid als het “procedeerverbod”).
De vraag die in deze procedure aan de orde is, is of artikel 1.4 Chw in de weg staat aan de toegang van GS tot de bestuursrechter en zo, of dat artikel dan wegens strijd met het Verdrag van Aarhus en de Varkens in Nood‑rechtspraak buiten toepassing moet blijven.
De rechtbank Overijssel beantwoordde deze vraag in een uitspraak van 25 mei 2022 bevestigend (ECLI:NL:RBOVE:2022:1543) en lichtte dat als volgt toe:
“De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS: 2021:786, uit voornoemd arrest van het Hof afgeleid dat het recht van belanghebbenden om beroep in te stellen tegen Aarhus-besluiten niet afhankelijk mag worden gesteld van deelname aan de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure. In haar uitspraak van 27 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021: 2390, heeft de Afdeling overwogen dat deze conclusie alle belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb betreft, dus ook bestuursorganen die ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Awb als belanghebbend kunnen worden aangemerkt.
Hoewel genoemde rechtspraak van het Hof en de Afdeling ziet op de beperking van de beroepsmogelijkheid ingevolge artikel 6:13 van de Awb, is de rechtbank van oordeel dat deze rechtspraak eveneens dient te gelden voor artikel 1.4 van de Chw, omdat deze bepaling zelfs nog verder gaat dan artikel 6:13 van de Awb en een volledige uitsluiting van leden van het betrokken publiek – in dit geval eiser – van de toegang tot de bestuursrechter inhoudt.”
Met andere woorden: het procedeerverbod is in strijd met het Verdrag van Aarhus.
De Afdeling oordeelt anders en acht het procedeerverbod wel aanvaardbaar.
De Afdeling overweegt eerst dat artikel 9 lid 2 Verdrag van Aarhus geen toegang tot specifiek de bestuursrechter verlangt. Dat volgt volgens de Afdeling evenmin uit het Unierechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming. Onder verwijzing naar oudere rechtspraak oordeelt de Afdeling dat voor GS met toegang tot de burgerlijke rechter effectieve rechtsbescherming is gewaarborgd.
Het Varkens in Nood-arrest en daaropvolgende jurisprudentie van de Afdeling doen daar niet aan af:
“Daarvoor is van belang dat de beperking van het beroepsrecht op grond van artikel 6:13 van de Awb die daarin aan de orde komt, moet worden onderscheiden van het procedeerverbod van artikel 1.4 van de Chw in relatie tot het Verdrag van Aarhus. De vraag of het beroepsrecht van decentrale overheden tegen bepaalde besluiten van de centrale overheid kan worden uitgesloten is namelijk een andere vraag dan of aan het betrokken publiek in zijn geheel artikel 6:13 van de Awb kan worden tegengeworpen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, betekent het voorgaande dat de rechtspraak van de Afdeling over de toepassing van artikel 6:13 van de Awb in relatie tot het Verdrag van Aarhus niet geldt voor de toepassing van artikel 1.4 van de Chw.”
De Afdeling overweegt ten slotte dat zij geen aanleiding ziet voor het stellen van prejudiciële vragen hierover, omdat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de opgeworpen vraag moet worden beantwoord.
De uitspraak leidt ertoe dat in zaken waarin artikel 1.4 Chw nog van toepassing is, decentrale overheden niet bij de bestuursrechter terecht kunnen om het betreffende besluit aan te vechten. Het besluit kan wel ten volle worden getoetst door de burgerlijke rechter. De regering acht dat (inmiddels) een onwenselijke situatie en heeft mede daarom het procedeerverbod in de Omgevingswet niet laten terugkomen (Kamerstukken II 2018/19, 35000 VII, 102).
De uitspraak zal verder een steun in de rug zijn van de wetgever in het kader van de Reparatiewet Varkens in Nood. In de laatste versie van het wetsvoorstel (zie daarover dit Stibbeblog) wordt onder meer geregeld dat personen die niet behoren tot het betrokken publiek, maar wel een zienswijze hebben ingediend op een ontwerp-Aarhus-besluit, terecht moeten bij de burgerlijke rechter om hun inspraakrechten te effectueren. De Afdeling bevestigt dat de burgerlijke rechtsgang volstaat voor (bepaalde) leden van het betrokken publiek (in dit geval: decentrale overheden) om Aarhus-besluiten aan te kunnen vechten. Deze rechtsgang moet net zoals de rechtsgang voor de personen die niet tot het betrokken publiek horen en hun inspraakrechten willen afdwingen, voldoen aan de eisen van artikel 9 lid 4 Verdrag van Aarhus. De uitspraak kan dus een indicatie zijn dat de burgerlijke rechtsgang die is beoogd in de Reparatiewet Varkens in Nood, door de Afdeling ook in lijn met het Verdrag van Aarhus wordt geacht.