De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft op 5 augustus 2026 geoordeeld dat het procedeerverbod van artikel 1.4 van de Crisis- en herstelwet (Chw) niet buiten toepassing hoeft te blijven wegens strijd met het Verdrag van Aarhus. Een provincie die geen partij is bij een besluit van de centrale overheid, kan daartegen dus nog altijd geen beroep instellen bij de bestuursrechter, ook niet wanneer dat besluit onder de Chw valt en een Aarhus-besluit betreft. De Afdeling trekt daarmee een grens tussen deze bepaling en de Varkens in Nood-rechtspraak over artikel 6:13 van de Awb, en verduidelijkt zo de reikwijdte van die rechtspraak.

Aardwarmtewinning in Luttelgeest
De zaak gaat over een reeks omgevingsvergunningen die de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei (destijds de minister van Economische Zaken en Klimaat) heeft verleend aan Hoogweg Aardwarmte voor het oprichten, uitbreiden en wijzigen van een aardwarmte-installatie in Luttelgeest. Het college van gedeputeerde staten van Overijssel stelde tegen deze besluiten beroep in bij de rechtbank, omdat het zich niet kon verenigen met de verleende vergunningen. Artikel 1.4 van de Chw bepaalt echter dat een decentrale overheid geen beroep kan instellen tegen een besluit van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan, als dat besluit niet tot haar is gericht. De rechtbank liet deze bepaling buiten toepassing: zij achtte het in strijd met artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus om de toegang van het college tot de bestuursrechter volledig uit te sluiten, en verwees daarbij naar het Varkens in Nood-arrest van het Hof van Justitie (HvJEU 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:7) en de daarop gebaseerde uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:786) over artikel 6:13 van de Awb.
Twee verschillende vragen
De Afdeling benadrukt dat artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus weliswaar toegang tot een rechterlijke instantie waarborgt voor Aarhus-besluiten, maar niet voorschrijft dat dit specifiek de bestuursrechter moet zijn. Nu voor het college de gang naar de burgerlijke rechter openstaat, is met die rechtsgang naar het oordeel van de Afdeling voldoende effectieve rechtsbescherming gewaarborgd (vergelijk ABRvS 7 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7093).
Belangrijker nog is de principiële scheiding die de Afdeling aanbrengt tussen de Varkens in Nood-rechtspraak en artikel 1.4 van de Chw. Die rechtspraak gaat over de vraag of het bestuursprocesrecht binnen het Aarhus-toepassingsgebied het beroepsrecht van het betrokken publiek in het algemeen afhankelijk mag stellen van het indienen van een zienswijze. Artikel 1.4 van de Chw regelt daarentegen een geheel andere kwestie, namelijk of decentrale overheden als zodanig kunnen opkomen tegen besluiten van de centrale overheid. Dat is volgens de Afdeling een principieel andere vraag, zodat de ene lijn rechtspraak niet automatisch naar de andere kan worden doorgetrokken. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de Afdeling, mede gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie in de Cilfit-, Consorzio Italian Management- en Remling-arresten, geen aanleiding: redelijkerwijs bestaat er geen twijfel over hoe de vraag moet worden beantwoord.
Gevolg: niet-ontvankelijkheid
Omdat artikel 1.4 van de Chw onverkort van toepassing blijft, had de rechtbank de beroepen van het college niet inhoudelijk mogen beoordelen. De Afdeling verklaart de beroepen van het college tegen de besluiten van 24 juli 2018 en 21 april 2021, en het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 31 mei 2021, alsnog niet-ontvankelijk. Aan de overige, inhoudelijke gronden van Hoogweg Aardwarmte en de staatssecretaris tegen de aangevallen uitspraak komt de Afdeling daardoor niet meer toe.
Deze uitspraak zet vooral een grens aan de doorwerking van de Varkens in Nood-lijn, die inmiddels op steeds meer beperkingen van het beroepsrecht leek te worden toegepast. Toch overtuigt het gemaakte onderscheid niet volledig: ook artikel 1.4 van de Chw sluit voor een hele categorie belanghebbenden – decentrale overheden – de toegang tot de bestuursrechter volledig uit, wat in de kern niet wezenlijk anders is dan de situatie die in het Varkens in Nood-arrest werd bekritiseerd. Dat de Afdeling de burgerlijke rechter als voldoende alternatief accepteert, sluit bovendien aan bij haar eigen uitspraak uit 2011, maar gaat voorbij aan de vraag of de bestuursrechter, gelet op zijn specifieke deskundigheid in omgevingsrechtelijke geschillen, niet het meest voor de hand ligt. Voor decentrale overheden die overwegen te procederen tegen besluiten van de centrale overheid over milieu- en mijnbouwactiviteiten in hun gebied, betekent deze uitspraak in elk geval dat zij daarvoor vooralsnog bij de civiele rechter moeten aankloppen.
ABRvS 5 augustus 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:4577.