Rechtbank Overijssel 30 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4532. Deze zaak heeft betrekking op de reactie van het college op een conceptverzoek over de mogelijkheid om een hooiberg/schuur om te zetten in een woning. Op 23 augustus 2024 heeft [naam 1] bij de gemeente via het online Omgevingsloket een formulier met daarop vermeld ‘conceptverzoek’ ingediend voor het omzetten van een hooiberg/schuur op het naar een woning. In een brief van 11 oktober 2024 heeft het college laten weten dat en waarom het niet positief adviseert over het project. In de brief is uitgelegd waarom het project volgens het college in strijd is met het omgevingsplan en waarom het college niet wil meewerken aan een afwijking van het omgevingsplan.

De rechtbank is van oordeel dat de reactie op het conceptverzoek een bestuurlijk rechtsoordeel is. Hoewel zo’n rechtsoordeel in de regel geen besluit is in de zin van art. 1:3, lid 1 Awb, moet het in uitzonderingssituaties wel als besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkenen onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen (ABRvS 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2691).
Volgens de rechtbank is dat hier niet het geval, omdat voor eiseres de mogelijkheid openstaat om een omgevingsvergunning aan te vragen. In het besluit op die aanvraag komen de vragen of het project al dan niet in strijd is met het omgevingsplan en of dit al dan niet kan worden vergund, ten volle aan de orde, zodat via die weg de gewenste duidelijkheid kan worden verkregen.
De omstandigheid dat de uitkomst van een vergunningaanvraag op voorhand onzeker is, maakt het indienen van zo’n aanvraag niet onredelijk bezwarend (ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1810). Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het indienen van een vergunningaanvraag kosten met zich brengt. Daarbij is van belang dat iedereen die zo’n aanvraag indient die kosten moet betalen (ABRvS 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:848).
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel stond dat de reactie op het conceptverzoek geen besluit of een als besluit aan te merken bestuurlijk rechtsoordeel is. Daarom heeft het college het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en kon het college met toepassing van art. 7:3, onder a Awb afzien van het horen van eiseres over haar bezwaar.