De Rechtbank Midden-Nederland oordeelt in zijn uitspraak van 28 augustus 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:6195) dat het in art. 12.27a Besluit kwaliteit leefomgeving (“Bkl”) neergelegde overgangsrecht een basis biedt voor het aanbrengen van een ‘knip’ in de beoordeling van de planologische aanvaardbaarheid van één of meer aspecten van de activiteit ‘strijdig planologisch gebruik’.

Dit betekent dat het doorschuiven van de op een later moment te beoordelen aspecten van een dergelijke activiteit naar een volgende aanvraag om omgevingsvergunning mogelijk is, mits (i) die aspecten ook daadwerkelijk los van de andere aspecten te beoordelen zijn, (ii) vanuit een oogpunt van rechtszekerheid geen onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de eerst verleende omgevingsvergunning, en (iii) waar noodzakelijk het bevoegd gezag met een aan de eerste omgevingsvergunning te verbinden voorschrift verduidelijkt welke onderdelen (fysieke handelingen) van een activiteit wel en welke nog niet mogen worden verricht totdat ook daarvoor een volgende omgevingsvergunning is verleend. Aanleiding voor dit oordeel was een geschil over de onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (“Wabo”) verleende omgevingsvergunning voor het in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van een voormalig postkantoor als woongebouw (art. 2.1, eerste lid, onder c Wabo). Het college acht het voorgenomen woongebruik weliswaar in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening; vanwege het ontbreken van een toereikende parkeeroplossing voor de (vooralsnog) beoogde 23 appartementen heeft het college aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat bij de - onder het regime van de Omgevingswet (“Ow”) – nog in te dienen aanvraag voor de omgevingsplanactiviteit ‘bouwen’ alsnog moet worden aangetoond dat het initiatief voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Als omwonende betoogt eiseres in beroep dat het college bij het verlenen van deze ‘eerste’ omgevingsvergunning ten onrechte geen alomvattende beoordeling van de planologische aanvaardbaarheid heeft gemaakt en de vraag of het initiatief voorziet in voldoende parkeerplaatsen - een rechtstreeks gevolg van de beoogde functiewijziging – niet mocht doorschuiven naar de nog in te dienen tweede aanvraag om omgevingsvergunning. De rechtbank stelt vast dat het college met het bestreden besluit een vorm van fasering heeft gekozen waarbij het niet gaat om twee verschillende activiteiten (zoals strijdig planologisch gebruik en bouwen) die gefaseerd - na elkaar - op basis van verschillende aanvragen om omgevingsvergunning worden beoordeeld, maar om één activiteit (strijdig planologisch gebruik) waarvan de beoordeling wordt opgesplitst over twee verschillende aanvragen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit art. 12.27a Bkl dat een onder oud recht (Wabo) verleende omgevingsvergunning die de planologische basis biedt voor een later nader uit te werken bouwplan, ook onder nieuw recht (Ow) een grondslag blijft bieden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor dat nader uitgewerkte bouwplan. De afweging over de planologische aanvaardbaarheid van een dergelijke Wabo-vergunning hoeft daarbij niet opnieuw te worden gemaakt. Uit de nota van toelichting blijkt volgens de rechtbank dat art. 12.27a Bkl ook uitdrukkelijk bedoeld is om onder nieuw recht de mogelijkheid te bieden om een fasering te kunnen aanbrengen in de vergunningverlening voor omgevingsplanactiviteiten. De rechtbank stelt vast dat artikel 12.27a van het Bkl niet voorziet in een afbakening van aspecten die bij een eerste dan wel een volgende omgevingsvergunning beoordeeld en vergund moeten worden; het is dus aan de aanvrager en het bevoegd gezag overgelaten om hierin een keuze te maken. Voor een goede toepassing van de faseringsmogelijkheid die artikel 12.27a Bkl mogelijk maakt, is het naar het oordeel van de rechtbank wel noodzakelijk dat de aspecten die niet in de beoordeling van de eerste aanvraag worden betrokken, maar pas bij een latere aanvraag worden beoordeeld, daadwerkelijk los van de andere aspecten te beoordelen zijn. Omdat de omgevingsvergunning die in deze beroepsprocedure voorligt duidelijk aangeeft waar deze op ziet (het woongebruik) en het mede dankzij het aan de vergunning verbonden voorschrift duidelijk is dat nog een beoordeling moet plaatsvinden aan het parkeervereiste, ziet de rechtbank geen belemmeringen voor het doorschuiven van het parkeeraspect naar de nog aan te vragen tweede omgevingsvergunning. Eiseres wordt daarbij niet beperkt in haar mogelijkheden van rechtsbescherming: zij kan volgens de rechtbank desgewenst tegen de beslissing op deze aanvraag in rechte opkomen en alsdan de parkeerbeoordeling ter discussie stellen.