De uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:3100 d.d. 3 juli 2026) rondom een handhavingsverzoek op Terschelling biedt inzichten in de toepassing van overgangsrecht en impliciete vergunningen. De gemeente weigerde handhavend op te treden tegen recreatieve verhuur.

De feiten
Eiser verzocht het college van Terschelling om handhavend op te treden tegen de recreatieve verhuur van een voor- en achterhuis. Het college wees het verzoek af: voor het achterhuis zou een oude bouwvergunning 'impliciete toestemming' geven. Het voorhuis zou onder het persoonsgebonden overgangsrecht vallen omdat de eigenaar (de verhuurder) al sinds 1994 dezelfde is. Subsidiair beriep het college zich op het algemeen overgangsrecht. De rechtbank volgde het college niet.
Analyse
1. Een bouwvergunning verleend vóór de inwerkingtreding van een nieuw bestemmingsplan, heeft géén zelfstandige betekenis voor het gebruik dat onder het nieuwe plan is toegestaan. Recreatieve verhuur was in het nieuwe bestemmingsplan verboden. De gemeente mocht de oude vergunning uit 2003 dus niet gebruiken als impliciete toestemming voor strijdig gebruik.
2. De gebruiksregels in het ter plaatse geldende plan staan persoonsgebonden overgangsrecht toe. Dit is als volgt geformuleerd: ‘Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van een woonhuis voor recreatieve bewoning, met uitzondering van recreatieve bewoning waarvan het gebruik reeds plaatsvond op 1 juni 1994 en sindsdien onafgebroken en door dezelfde persoon/personen is voortgezet'. Naar het oordeel van de rechtbank ziet het persoonsgebonden overgangsrecht in het bestemmingsplan Oosterend gelet op de formulering dat het moet gaan om 'recreatieve bewoning' die 'onafgebroken en door dezelfde persoon/personen' wordt 'voortgezet' naar zijn aard op een (zeer) beperkt aantal personen. Recreatieve verhuur valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder het persoonsgebonden overgangsrecht van het bestemmingsplan Oosterend omdat bij recreatieve verhuur sprake is van gebruik door meerdere, verschillende personen die afwisselend voor kortere duur de woning recreatief bewonen. Het standpunt van het college dat recreatieve verhuur onder het persoonsgebonden overgangsrecht valt zolang derde-partij de verhuurder is, volgt de rechtbank niet.
3. De partij die zich op het overgangsrecht beroept, moet aantonen dat dit toepasselijk is. Het college had niet kenbaar zelfstandig onderzoek gedaan naar de relevante feiten. Het college heeft volstaan met een verwijzing naar de gegevens die het van de aanvrager had ontvangen. Die gegevens geven onvoldoende inzicht om te kunnen vaststellen of de recreatieve verhuur van het voor- en achterhuis op de peildatum rechtmatig bestond, en of die daarna ononderbroken is voortgezet. Uit de gegevens blijkt niet welk gebruik op welke momenten heeft plaatsgevonden.