Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Regulering van begeleid en beschermd wonen via binnenplanse afwijking

Roermond heeft in een herziening van het bestemmingsplan voor de binnenstad een nieuw toetsingskader gecreëerd voor maatschappelijke voorzieningen. Nieuwe vormen van begeleid/beschermd wonen en opvang zijn in de basis verboden (art. 4.1), tenzij het college hiervoor een omgevingsvergunning verleent via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (art. 4.2). Een omwonende (appellant) was het hier niet mee eens en vond dat dit te weinig waarborgen tegen overlast bood. Let op: omdat het ontwerpplan in juli 2023 ter inzage is gelegd, gold voor deze uitspraak nog het 'oude' recht (de Wro en de Wabo). De Afdeling deed op 19 augustus 2026 uitspraak (ECLI:NL:RVS:2026:4872).

20 August 2026

Een analyse:
Mag deze constructie met een binnenplanse afwijking?
Ja, dit is toegestaan. Appellant betoogde dat begeleid wonen geen ruimtelijk relevant criterium is, maar de Afdeling oordeelt anders. Het onderscheid met zelfstandige bewoning is wel ruimtelijk relevant, omdat het ruimtebeslag (denk aan parkeren) van personen met een zorgvraag anders is.
Dat pas bij de aanvraag van een omgevingsvergunning (en niet al in het bestemmingsplan zelf) wordt getoetst of de leefbaarheid in de omgeving in het geding is, mag. De raad mocht erop vertrouwen dat de afwijkingsbevoegdheid in art. 4.2 voldoende waarborgen biedt gezien de daarin opgenomen voorwaarden.

Is de afwijkingsbevoegdheid voldoende duidelijk?
Regels moeten in het kader van de rechtszekerheid objectief begrensd en concreet zijn. Appellant vond de afwijkingsbevoegdheid te vaag, maar de Afdeling verwerpt dit. Artikel 4.2 verwijst namelijk direct naar de gemeentelijke beleidsregel over dit onderwerp. Daarin staat een helder afwegingskader, inclusief eisen rondom risicotaxaties en overlastsignalen. Hiermee is duidelijk in welke gevallen het college van de bevoegdheid gebruik mag maken. Geen strijd met de rechtszekerheid dus!

Was een exploitatieplan nodig?
Hier loopt de appellant stuk op het relativiteitsvereiste (art. 8:69a Awb). Hij betoogde dat de raad een exploitatieplan had moeten vaststellen. Echter, omdat de appellant zelf geen gronden in het plangebied bezit, zou hij bij een exploitatieplan toch niet te maken krijgen met kostenverhaal. De wettelijke regel strekt daarom niet tot bescherming van zijn financiële belangen. De Afdeling laat deze beroepsgrond daardoor inhoudelijk onbesproken.

Is deze uitspraak ook relevant onder de Omgevingswet? Zeker weten! De systematiek, een algemeen verbod in het plan, gekoppeld aan een vergunningplicht (nu de 'omgevingsplanactiviteit' of OPA) met beoordelingsregels die direct verwijzen naar gemeentelijk beleid, past perfect binnen de Omgevingswet. De terminologie verandert van een 'goede ruimtelijke ordening' naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Dit biedt gemeenten die sturing willen geven aan de spreiding van maatschappelijke woonvormen een toepasbaar handvat!

Artikel delen