Op 27 maart 2026 heeft het college van Teylingen een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een appartementencomplex met 48 appartementen, een supermarkt en 3 commerciële ruimten en een rijtje van 11 eengezinswoningen. Tussen de twee bouwdelen komt een parkeerterrein.

Tegen de ontwerp-omgevingsvergunning heeft eiser een zienswijze ingediend, gevolgd door een beroep. Eiser woont op een afstand van meer dan 330 meter van het projectgebied en heeft vanuit zijn woning geen zicht daarop. Volgens het college zal eiser ook anderszins geen feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervinden door de realisatie van het bouwplan. De rechtbank heeft over het ingediende beroep uitspraak gedaan op 18 augustus 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:23206).
Hoewel t.a.v. de vergunning nog de Wabo van toepassing is, biedt deze uitspraak twee scherpe handvatten die ook in de huidige Omgevingswet-praktijk van pas kunnen komen.
1. Het relativiteitsvereiste . Het beroep van eiser was in de kern beperkt tot de keuze om 100% sociale woningbouw te realiseren. Uit vaste jurisprudentie volgt dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, maar die wel tijdig een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit, in beroep niet kan worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. Omdat eiser een zienswijze had ingediend, is hij door de rechtbank ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
Toch strandt het beroep op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat er een direct verband moet zijn tussen de beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De rechtbank overweegt dat artikel 8:69a van de Awb zich verzet tegen vernietiging van het besluit. Met de stelling dat een 100% sociale huurinvulling op een A1-centrumlocatie ruimtelijk niet logisch, niet toekomstbestendig en niet optimaal is voor de centrumontwikkeling, beroept eiser zich op normen die kennelijk niet strekken tot de bescherming van zijn persoonlijke belangen. De rechtbank heeft deze beroepsgrond daarom zonder inhoudelijke behandeling opzijgezet.
2. Wat te doen met een bij het beroep gevoegd document zonder toelichting en dat reeds is beoordeeld in de zienswijzefase? 📄 Eiser had een uitgebreid document als bijlage bij zijn beroepschrift gevoegd. Hoewel dit document in de zienswijzefase al was meegenomen door het bestreden besluit, oordeelt de rechtbank helder over de rol hiervan in beroep: het simpelweg meesturen van een 'oud' stuk volstaat niet. In beroep moet concreet en gemotiveerd worden toegelicht waarom het bestreden besluit onjuist is.