Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

RvS‑beslissing over 6:19 Awb roept vragen op voor vergunningpraktijk

Naast de uitspraak over het procedeerverbod uit de Chw (ECLI:NL:RVS:2026:4577) heeft de Afdeling vandaag ook een opvallende uitspraak over 6:19 Awb gewezen (ECLI:NL:RVS:2026:4455). In deze uitspraak gaat het om een niet tijdige bekendmaking van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de verbouw van een bedrijfsgebouw tot datacenter. Daarbij is in beroep geoordeeld dat het college inderdaad niet tijdig op de aanvraag had beslist, waardoor een omgevingsvergunning van rechtswege was ontstaan. Het college kwam daartegen in hoger beroep op, maar gaf ook uitvoering aan de opdracht van de rechtbank om de van rechtswege verleende vergunning bekend te maken.

5 August 2026

egen dat besluit is door een aantal partijen bezwaar gemaakt. Een aantal van deze bezwaren is door het college gegrond verklaard waarna de van rechtswege gegeven beschikking is herroepen. In hoger beroep stelt de aanvrager zich op het standpunt dat deze besluiten op grond van artikel 6:19, eerste lid, Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 Awb van rechtswege onderwerp van het geding zijn.

In reactie daarop overweegt de Afdeling dat de aanvrager op grond van artikel 8:55f, eerste lid, Awb een beroep niet het niet tijdig bekendmaken heeft ingesteld. In deze hoger beroepsprocedure staat het oordeel van de rechtbank over het al dan niet terecht nalaten van de bekendmaking centraal, maar niet de (inhoud van de) van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Volgens de Afdeling gaat het namelijk niet om een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit waardoor de beslissingen op bezwaar niet aangemerkt kunnen worden als 6:19-besluiten.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:19 Awb, volgt dat alleen sprake van een dergelijk besluit kan zijn als het besluit voldoende samenhang vertoont met het in bezwaar of beroep reeds aanhangige besluit. In de MvT worden in dat verband de volgende uitgangspunten genoemd: i) een besluit op een nieuwe aanvraag voor o.a. herziening is geen 6:19-Awb besluit, ii) het nieuwe besluit moet vallen binnen de feitelijke grondslag en de reikwijdte van het eerder genomen besluit, en iii) het besluit wordt niet herzien op basis van een substantieel nieuw feitencomplex.

De Afdeling lijkt in dit geval gewicht toe te kennen aan het feit dat de voorliggende rechtsvragen niet dezelfde zijn. Daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat de bekendmaking – en dus het afgeven – van de omgevingsvergunning een direct gevolg is van het beroep gericht tegen de niet-tijdige bekendmaking en dat sprake is van hetzelfde feitencomplex. Daarnaast zijn dergelijke besluiten – zoals door de Afdeling ook zelf wordt erkend – eerder wel als 6:19-besluiten aangemerkt. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:3838, maar ter vergelijk ook ECLI:NL:RVS:2016:682. Waarom nu wordt gekozen voor een andere lijn wordt niet toegelicht, maar is wel opvallend gelet op andere uitspraken waar een coulantere lijn gehanteerd werd (bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2026:782).