De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt in haar uitspraak van 19 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4847) dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester het besluit om een pand vanwege de ernstige vrees voor een (herhaalde) verstoring van de openbare orde gedurende twee weken te sluiten niet mocht baseren op art. 174, tweede lid, Gemeentewet maar uitsluitend op art. 172, derde lid, Gemeentewet. Aan de tijdelijke sluiting van het pand dat wordt geëxploiteerd voor bruiloften en andere evenementen gingen twee geweldsincidenten vooraf. In hoger beroep ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld wat de bevoegdheidsgrondslag is voor de tijdelijke sluiting: de bevelsbevoegheid van art. 172, derde lid, Gemeentewet (de ‘lichte bevelsbevoegdheid’ ter handhaving van de openbare orde) of die van art. 174, tweede lid, Gemeentewet (in het kader van het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven).

De Afdeling stelt voorop dat volgens vaste Afdelingsrechtspraak de burgemeester niet bevoegd is om de in de Gemeentewet neergelegde bevoegdheden aan te wenden in een situatie waarin de Algemene plaatselijke verordening (“APV”) voorziet (vgl. de uitspraak van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2448). Naar het oordeel van de Afdeling vormt de APV in dit geval echter geen toereikende grondslag voor de tijdelijke sluitingvan het pand, nu die bevoegdheid kennelijk ziet op de tijdelijke sluiting van ‘openbare inrichtingen’ (in de zin van de APV) en ‘voor het publiek openstaand gebouwen’ (als bedoeld in art. 174 Gemeentewet). Naar het oordeel van de Afdeling kwalificeert het pand in kwestie niet als één van beide gevalstypen: de hoofdfunctie van het pand is het faciliteren van feesten, voornamelijk bruiloften en bedrijfsfeesten, waar gasten alleen op uitnodiging mogen komen. Omdat tijdens die feesten niet iedereen het pand mag betreden, is volgens de Afdeling geen sprake van een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte in de zin van de APV. Daarmee biedt volgens de Afdeling ook art. 174 Gemeentewet in dit geval geen toereikende grondslag voor handhavend optreden. De Afdeling concludeert dat de burgemeester zijn besluit diende te baseren op art. 172, derde lid, Gemeentewet.