Rechtbank Gelderland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5561. Het gaat hier om een voorlopige voorziening tegen het afwijzen van een handhavingsverzoek inzake speelvoorzieningen bij een pannenkoekenrestaurant. De vzr. is van oordeel dat de speeltoestellen niet zijn toegestaan op grond v.h. tijdelijk deel v.h. #omgevingsplan.

Op het perceel geldt het Omgevingsplan. Het bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van dat omgevingsplan. Op grond van dat bestemmingsplan geldt op het perceel de functie ‘Horeca’.
De vzr. stelt voorop dat op grond van art. 8.1 de voor horeca aangewezen gronden bestemd voor: horeca, wegen en paden, nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
Het aanbieden van speeltoestellen voor kinderen valt niet onder de definitie van horeca. Horeca wordt in het bestemmingsplan namelijk gedefinieerd als ‘een bedrijf of instelling, niet zijnde een discotheek of bar-dancing, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies worden verstrekt.’ Volgens deze definitie is het voor het pannenkoekenhuis dus (enkel) toegestaan om bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken. Het aanbieden van speeltoestellen is niet opgenomen in deze definitie en valt dus ook niet onder het toegestane gebruik.
Anders dan het college heeft betoogd, zijn speeltoestellen ook niet in ondergeschikte vorm toegestaan. Dan had de planwetgever in art. 8.1 van het bestemmingsplan uitdrukkelijk moeten opnemen dat bepaalde bij de horeca-bestemming behorende of daaraan ondergeschikte (speel)voorzieningen zijn toegestaan. Dat is hier niet het geval. In art. 9.1 van het bestemmingsplan (de bestemmingsomschrijving van de bestemming Maatschappelijk) is bijvoorbeeld wel uitdrukkelijk opgenomen dat ‘daarbij behorende speelvoorzieningen’ zijn toegestaan. Ook uit de plansystematiek is dus af te leiden dat speelvoorzieningen bij de horeca-bestemming niet zijn toegestaan, ook niet in ondergeschikte vorm.
Toch strekt een voorlopige voorziening te ver. De vzr. zou het college dan bij wijze van voorlopige voorziening moeten opdragen om handhavend op te treden. De bevoegdheid om handhavend op te treden ligt bij het college en het is in eerste instantie dan ook aan het college om te bepalen of het van zijn handhavende bevoegdheid gebruik maakt.
Y. Schönfeld:
Eerder is door de ABRvS al eens uitgesproken dat een rechter niet zelf handhavingsbesluiten kan nemen: ABRvS 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2658. Zie in deze zin ook: Rb. Midden-Nederland 10 oktober 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:5321.
Deze 2-daagse cursus Erfgoed en Monumenten: wetgeving en beleid biedt inzicht in het nieuwe instrumentarium voor de omgang met cultureel erfgoed en monumenten, zowel beleidsmatig als juridisch als omgevingsplan, evenals de gevolgen voor ambtenaar, initiatiefnemers en adviseurs.