De raad van de gemeente Noordwijk heeft het bestemmingsplan “Correctie Zeewardig, fase 3” vastgesteld, waarmee de bouw van appartementen en commerciële ruimtes mogelijk worden gemaakt. Vastgoedeigenaren uit de omgeving zijn het niet eens met de ruimere bouwmogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt. Zij hebben daarom een verzoek voorlopige voorziening ingediend tot schorsing van het plan.

De vraag ligt voor of zij daarbij voldoende spoedeisend belang hebben. Initiatiefnemer heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van 76 appartementen, commerciële ruimten en een ondergrondse parkeergarage. Omdat het omgevingsplan dit bouwplan slechts mogelijk maakt met toepassing van binnenplanse afwijkingsbevoegdheden zoals die in het bestemmingsplan zijn opgenomen, heeft aanvrager daarmee geen rechtstreekse aanspraak op verlening van de door haar aangevraagde omgevingsvergunning.
De Afdeling oordeelt dat de aanvraag om deze omgevingsvergunning en de verlening daarvan onder de werking van de Wro en de Wabo geen aanleiding zouden geven om uit te gaan van onomkeerbare gevolgen en spoedeisendheid (ook gelet op de Tegelen rechtspraak). De inwerkingtreding van de Omgevingswet (“Ow”), waardoor het bestemmingsplan deel is gaan uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, brengt hier volgens de Afdeling geen verandering in. Dit omdat de binnenplanse afwijkingsregels uit een bestemmingsplan gelden als beoordelingsregels voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Uit art. 22.280 van de regels van het tijdelijk deel volgt dat voor zover in een bestemmingsplan dat deel is gaan uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, voor een activiteit een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid gold, een verbod geldt om deze zonder omgevingsvergunning te verrichten. Weliswaar volgt uit art. 8.0a, lid 1 Bkl dat bij zo’n verbod de omgevingsvergunning moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die daarover in het omgevingsplan zijn gesteld, maar die verplichting geldt niet in een situatie als deze, omdat artikel 22.281 van het tijdelijk deel bepaalt dat de verplichting in gevallen als bedoeld in art. 22.280 moet worden gelezen als een bevoegdheid. In dat verband moet het college ook beoordelen of sprake is van ETFAL (ECLI:NL:RVS:2024:4624, onder 14).
Gelet hierop is er geen sprake van onomkeerbare gevolgen en ontbreekt het spoedeisend belang. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Zie voor de details Vz. AbRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4252.