Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Toepasselijkheid Dienstenrichtlijn bij bestemmingsplan dat verhuurmogelijkheden beperkt

In haar uitspraak van 2 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5143) oordeelt de Afdeling dat de in het vastgestelde bestemmingsplan opgenomen eis dat minimaal 40% van het aantal te realiseren zelfstandige woningen moet bestaan uit sociale huurwoningen niet in strijd is met de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG).

8 September 2026

De Afdeling stelt vast dat het onder het regime van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet (Chw) vastgestelde bestemmingsplan en bijbehorende exploitatieplan ter plaatse van het in erfpacht uitgegeven perceel voorzien in de realisatie van maximaal 54 zelfstandige woningen. De erfpachter, verhuurder en eigenaar van het daarop gelegen voormalige zorgcomplex betoogt in beroep dat het percentage van 40% sociale huur in ruimtelijke zin niet deugdelijk is onderbouwd en hem onevenredig beperkt in zijn verhuurmogelijkheden. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat de gemeenteraad bevoegd is om in een bestemmingsplan vast te leggen dat een deel van de woningen in het plangebied binnen een bepaalde woningbouwcategorie moet vallen, maar dat de motivering daarvoor navolgbaar en consistent moet zijn. De Afdeling overweegt dat de Dienstenrichtlijn in dit geval van toepassing is, omdat dienstverrichters - zoals in dit geval de verhuurder - met het percentage sociale huur worden beperkt in hun exploitatiemogelijkheden: het minimumpercentage voor sociale verhuur sluit immers de mogelijkheid van reguliere verhuur uit. Omdat de betwiste planregel een kwantitatieve beperking vormt, moet deze voldoen aan de in art. 15, derde lid, Dienstenrichtlijn vermelde criteria (sub a t/m c). Niet in geschil is dat de planregel niet in strijd is met het discriminatieverbod (sub a). Naar het oordeel van de Afdeling heeft de gemeenteraad ook de noodzaak voor de beperking tot sociale huur deugdelijk gemotiveerd (sub b). Niet gebleken is bovendien dat dit volkshuisvestingsbelang op een andere, minder beperkende wijze zou kunnen worden gewaarborgd. Dat de verhuurder onevenredig in zijn belangen wordt getroffen door de eis van minimaal 40% sociale huur (sub c), heeft de verhuurder volgens de Afdeling niet voldoende geconcretiseerd en onderbouwd. De Afdeling concludeert dat de gemeenteraad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de planregel in zoverre in overeenstemming met de Dienstenrichtlijn is en een goede ruimtelijke ordening dient.

Artikel delen