Rechtbank Midden-Nederland 14 september 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6250. Het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, tenzij de gemeenteraad gevallen heeft aangewezen waarvoor het bieden van participatiemogelijkheden verplicht is voordat de aanvraag om omgevingsvergunning voor een BOPA wordt ingediend (art. 16.55, lid 7 Ow).

De rb. is niet gebleken dat de gemeenteraad gevallen heeft aangewezen waarin participatie verplicht is gesteld. De rechtbank heeft geen gepubliceerd besluit hierover kunnen vinden. De rb. heeft wel gezien dat de website van de gemeente melding maakt van activiteiten waarin participatie verplicht is gesteld. Zonder besluit van de gemeenteraad komt hieraan echter geen betekenis toe. Het bouwen van een stijger wordt in het overzicht van activiteiten op de website overigens niet genoemd.
Uit het voorgaande volgt dat vergunninghouder niet verplicht was om aan participatie te doen. Ondanks dat geen verplichting bestond tot participatie, rustte op vergunninghouder wel een plicht te motiveren of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten daarvan zijn geweest (art. 7.4 Omgevingsregeling). Vergunninghouder heeft in het aanvraagformulier bij de vraag of hij contact met anderen over zijn plannen heeft gehad ‘ja’ opgegeven. Bij de vragen hoe hij anderen heeft betrokken en welke reacties hij heeft gekregen staat ‘geen openbare informatie’. Omdat vergunninghouder noch het college op zitting zijn verschenen, is de rb. niet gebleken hoe andere belanghebbenden dan eisers op het bouwplan hebben gereageerd en op welke wijze zij bij het plan zijn betrokken.
Vergunninghouder mocht echter ook volstaan met de mededeling dat hij niet aan participatie heeft gedaan, waardoor de rb. aan het ontbreken van informatie in de aanvraag geen gevolgen verbindt.