Op 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:767 deed de ABRvS een interessante uitspraak over de reikwijdte van het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb in relatie tot een handhavingsverzoek met betrekking tot een bepaling uit de APV. Artikel 8:69a Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Het artikel waar de handhavingsverzoeker zich op beriep was artikel 5:16 van de APV, dat bepaalt dat het in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden is een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
Het kan echter zo zijn dat het belang van een natuurlijke persoon zodanig verweven is met het algemene belang dat een rechtsnorm beoogt te beschermen, dat kan worden gezegd dat de rechtsnorm kennelijk mede beoogt het belang van deze natuurlijke persoon (mede) te beschermen.
Uit de toelichting op artikel 5:16 van de APV volgt dat deze bepaling is bedoeld om de openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. Artikel 5:16 van de APV beoogt dus te voorkomen dat het openbare water onjuist wordt gebruikt. [appellant] doet een beroep op deze bepaling, omdat hij vreest dat onjuist gebruik zijn leefomgeving aantast. Aangezien [appellant] aan het openbare water woont, is het gebruik daarvan onderdeel van zijn leefomgeving. De Afdeling is daarom van oordeel dat deze belangen zo verweven zijn met het belang dat artikel 5:16 van de APV beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken norm kennelijk niet mede strekt tot bescherming van het belang van [appellant].
[appellant] betoogt verder dat de rechtbank op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat het college heeft mogen weigeren om handhavend op te treden tegen overtredingen van artikel 5:16 van de APV. Hij voert daartoe aan dat zijn belangen wel degelijk worden beschermd door het verbod van artikel 5:16, eerste lid, van de APV. Ook voert hij aan dat op grond van dat artikel eerst een melding moet worden gedaan voordat een aanlegconstructie mag worden gemaakt, waarbij na een negatieve beoordeling van de situatie, handhavend moet worden opgetreden. Daar komt bij dat de diverse langs de Indigoweg in de vaart aanwezige aanlegconstructies zinloos zijn en deze het vrije gebruik van openbaar vaarwater in nadelige zin beïnvloeden. De rechtbank heeft de bedoeling van artikel 5:16 van de APV dan ook onjuist uitgelegd, aldus [appellant].
Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Met andere woorden: als iemand klaagt over de schending van een regel, terwijl die regel niet bedoeld is ter bescherming van zijn of haar belangen, kan het niet tot succes leiden in beroep of hoger beroep. Het relativiteitsvereiste staat dat dan in de weg.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 28 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3493), kan, als een norm strekt tot bescherming van een algemeen belang, niet zonder meer worden aangenomen dat deze norm (ook) strekt tot bescherming van het belang waarvoor een natuurlijke persoon in rechte opkomt. Een natuurlijke persoon kan in principe niet in rechte opkomen voor een algemeen belang. Het kan echter zo zijn dat het belang van een natuurlijke persoon zodanig verweven is met het algemene belang dat een rechtsnorm beoogt te beschermen, dat kan worden gezegd dat de rechtsnorm kennelijk mede beoogt het belang van deze natuurlijke persoon (mede) te beschermen.
Uit de toelichting op artikel 5:16 van de APV volgt dat deze bepaling is bedoeld om de openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. Artikel 5:16 van de APV beoogt dus te voorkomen dat het openbare water onjuist wordt gebruikt. [appellant] doet een beroep op deze bepaling, omdat hij vreest dat onjuist gebruik zijn leefomgeving aantast. Aangezien [appellant] aan het openbare water woont, is het gebruik daarvan onderdeel van zijn leefomgeving. De Afdeling is daarom van oordeel dat deze belangen zo verweven zijn met het belang dat artikel 5:16 van de APV beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken norm kennelijk niet mede strekt tot bescherming van het belang van [appellant]. De rechtbank is ten onrechte tot een andere conclusie gekomen.