Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Uitspraak strafrechter over gevolgen inwerkingtreding Omgevingswet voor overtreding bepalingen wet bodembescherming en Waterwet

Rechtbank Overijssel (strafrechter) 9 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3791. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte rechtspersoon een grote hoeveelheid LD-staalslakken op onjuiste wijze op of in de bodem heeft toegepast en daarmee herhaaldelijk de op haar rustende zorgplicht in de zin van artikel 13 Wet bodembescherming (oud) heeft geschonden. De rechtbank acht daarnaast bewezen dat de verdachte rechtspersoon opzettelijk (door uitloging van LD-staalslakken) verontreinigd water in het oppervlaktewater heeft geloosd en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan herhaaldelijke schending van artikel 6.2 Waterwet (oud)

9 July 2026

Met ingang van 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Gelijktijdig zijn de Waterwet en de Wet bodembescherming komen te vervallen.

Overtreding van het bepaalde in artikel 6.2 van de Waterwet (vervallen) is thans strafbaar gesteld in artikel 5.1 lid 2 sub c van de Omgevingswet juncto de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Overtreding van het bepaalde in artikel 13 Wet bodembescherming (eveneens vervallen) is – voor zover sprake is van aanzienlijke nadelige gevolgen – thans strafbaar gesteld in artikel 1.7a van de Omgevingswet juncto de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ter zake van de strafwaardigheid geen gewijzigde inzichten gelden.

De Omgevingswet bevat voor zover hier van belang geen overgangsrecht. Nu de Omgevingswet dezelfde gedragingen strafbaar stelt als de Waterwet en de Wet bodembescherming en ook de daarmee corresponderende strafbedreiging niet gewijzigd zijn in gunstiger zin voor de verdachte, dient het ten laste gelegde te worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van het delict geldende recht. Deze wetswijzigingen zijn voor deze strafzaak derhalve niet van belang.

Artikel delen