Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Uitspraken omgevingsrecht 2026, week 33

Elke donderdag publiceert PONT de jurisprudentie van deze week over het omgevingsrecht, samengesteld door medewerkers van STAB. Hiermee mis je niets van de belangrijkste uitspraken en kun je ze eenvoudig langslopen.

STAB 13 August 2026

Jurisprudentie - rode draad

Jurisprudentie - rode draad

Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

Week 33

Legenda:

= uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)

# = betrokkenheid STAB

! =(nog) niet gepubliceerd


ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4708: Awb, Ow; vovo, TAM-omgevingsplan, woningbouw, behoud panden, regeling, cultuurhistorische waarde, gedeeltelijke toewijzing verzoek, onomkeerbare situatie, bedoeling college, niet kunnen wegnemen twijfel
ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4707: Awb, Ow; vovo, TAM-omgevingsplan, woningbouw, stedenbouwkundige uitgangspunten, bouwhoogte, aantal bouwlagen, verkeersveiligheid, privacy, zichtlijnen, inkijk, uitzicht, belangenafweging, afwijzing verzoek
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4537: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl, en maken uitweg, hotel, uniforme voorbereidingsprocedure, ongegrond beroep, verouderde rapporten, geluid, vrachtwagens/touringcars, stemgeluid, terras, representatieve bedrijfssituatie, uitgangspunten, VNG-brochure, omgevingstype, gemengd gebied, geluidwaarden, privacy, inspraak, wettelijk voorgeschreven procedure (Rb Gelderland 21/1561)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4538: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl, en maken uitweg, hotel, uniforme voorbereidingsprocedure, geluid, VNG-brochure, omgevingstype, gemengd gebied, akoestisch onderzoek, uitgangspunten, representatieve bedrijfssituatie, vrachtwagens/touringcars, laad- en losactiviteiten, geluidwaarden, cumulatie, stappenplan, toetsingssystematiek, langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, bijdrage hotel, woon- en leefklimaat, participatie, wettelijk voorgeschreven procedure (Rb Gelderland 21/1473)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4539: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl, en maken uitweg, hotel, uniforme voorbereidingsprocedure, geluid, akoestisch onderzoek, akoestisch rekenmodel, geluidimmissie, HMRI, meten/berekenen, meten/bestaande situatie, representatieve bedrijfssituatie, vrachtwagens/touringcars, laad- en losactiviteiten, behoefte, rapporten, gebiedsuitwerking, werkgelegenheid, alternatieven, inspraak, wettelijk voorgeschreven procedure (Rb Gelderland 21/1567)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4540: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl, en maken uitweg, hotel, uniforme voorbereidingsprocedure, behoefte, ladder voor duurzame verstedelijking, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, verzorgingsgebied, harde plancapaciteit, marktruimte, kwalitatieve behoefte, specifiek hotel, provinciaal beleid, gemeentelijk beleid, woon- en leefklimaat, herhaling aangevoerde in beroep (Rb Gelderland 21/1621)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4741: Awb, Wabo, Wm; handhaving, dwangsom, landbouwbedrijf, opslaan materialen, wegwerkzaamheden, asfaltschollen, funderingsmateriaal, rechtbank/onbevoegd verklaard, doorgestuurd naar Afdeling, bevoegdheid Afdeling, lasten/grondslagen, erkend afvalverwerker, één besluit, ambtshalve overweging, minister van IenM/IenW, zelf in de zaak voorzien, herroepen besluit, hoogte griffierecht, overschrijding redelijke termijn/oordeel in afzonderlijke uitspraak
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4724: Awb, Wro; bpl, woningbouw, bebouwingsmogelijkheden, stedenbouwkundige inpassing, hoogbouwvisie, uitzicht, geluid, reflectie-effecten, bereikbaarheid, nota van uitgangspunten, parkeren, parkeerhinder, uitspraak voorzieningenrechter, soortenbescherming, uitvoerbaarheid, verkeer, mobiliteitsonderzoek, wegcapaciteit, parkeerverbod, handhaving, ka bomen, waterhuishouding, woningdichtheid, gelijkheidsbeginsel
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4730: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning aanleggen twee inritten, ontvankelijkheid hoger beroep, belanghebbende, afstand, ruimtelijke uitstraling, gevolgen van enig betekenis, natuurbestemming, APV, onlosmakelijk samenhangende activiteit, inrichtingsplan, aanvullend toetsingskader, bouwregels, gebruiksregels, vertrouwensbeginsel, geen toezegging (Rb Oost-Brabant 22/2766)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4738: Awb, Wro; bpl, woningbouw, parkeerplaatsen, inrichtingsplan, voorwaardelijke verplichting, woon- en leefklimaat, belemmeringen bedrijfsvoering, reparatie en verhuur pompinstallaties en compressoren, ontwerpbpl, relativiteitsvereiste, behartiging eigen belang/ongestoorde bedrijfsvoering, VNG-brochure, richtafstand, akoestisch onderzoek, Activiteitenbesluit milieubeheer, bestaande woning, langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, meer belemmerende factor, verplaatsen inrit, geen reële mogelijkheid, representatieve invulling maximale planologische mogelijkheden, gemeentelijk beleid, borging vorm en situering woningen, belangenafweging, uitvoerbaarheid, tussenuitspraak
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4743: Awb, Wro; bpl, parapluplan, parkeerregeling, voldoende parkeerbehoefte, winkelpanden, beperken bouw- en gebruiksmogelijkheden, laden en lossen, Dienstenrichtlijn/nieuwe beroepsgrond, goede procesorde, noodzaak planregel, begrippen, begripsomschrijving onderliggend bpl, algemeen taalgebruik, niet rechtsonzeker, systematiek, artikel 3.1 Wro, beginsel van rechtszekerheid, objectieve maatstaven, parkeren, nader toetsingsmoment, detailhandelsbeleid, uitvoerbaarheid
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4739: Awb, Wro; bpl, woningbouw, parkeren, berekening parkeerbehoefte, begrip "aanleunwoningen", rechtszekerheid planregels, motivering gehanteerde parkeernormen, herstelbesluit, begripsomschrijving, normaal taalgebruik, voldoende rechtzeker, onderlinge samenhang, voldoende parkeerplaatsen, omgevingsvergunning bouwen, CROW-kencijfers, bandbreedte, woonbestemming, gehele plangebied/ruimte voor parkeervoorzieningen, buiten plangebied, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4725: Awb, Wro; bpl, woning met recreatieve bestemming, permanente bewoning/mogelijk maken, Ruimte-voor-ruimteregeling, woonbestemming, provinciale verordening, ruimtelijke titel, certificaat, omgevingskwaliteit, gesloopte bedrijfsgebouwen, bebouwingslint, bebouwingsconcentratie, ontwikkelingsrichting, structuurvisie, woongenot, herstelopdracht, flexibele termijn, tussenuitspraak
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4732: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, verbouw woning en bouwwerken, activiteiten bouwen en afwijken bpl, beleidsregels/afwijken bpl, niet vergunningvrij, geen hoger beroepsgronden, geen deelvergunningen, bijzondere omstandigheid (Rb Limburg 22/836)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4735: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, gebouw opvang dak- en thuislozen, repareren scheepsmotoren, belemmering bedrijfsvoering, geluid, klachten, aangevraagde opvang, tijdelijk karakter, duurzaam verblijf, intensieve zorg met begeleiding, vorderingen zelfredzaamheid, uitstroom zelfstandige woonruimte, geen strijd bpl, reguliere voorbereidingsprocedure (Rb Amsterdam 24/612)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4737: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en wijzigen Rijksmonument, tegeltableaus, lege beeltenissen, voorgevel, belang monumentenzorg, onderzoek historische bouwgeschiedenis, staat monument, redengevende omschrijving, advies deskundige, concrete aanknopingspunten voor twijfel, omschrijving aanwijzingsbesluit, beschermingswaardig, evident privaatrechtelijke belemmering, toestemming, voorbereidingsprocedure, beoordelingscommissie, gemotiveerde bespreking rechtbank, onderschrijven oordeel rechtbank (Rb Oost-Brabant 24/258)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4716: Awb, Wabo; handhavingsverzoek, gedeeltelijk toewijzing/gedeeltelijke afwijzing, verharde loswal, laad- en losplaats, handmatig laden en lossen, bpl, gemotiveerde bespreking rechtbank, onderschrijven oordeel rechtbank, incidenteel hoger beroep, omgevingsvergunning, parkeerterrein, voorschrift, vergunning verleend voor werkzaamheden, geen bevoegdheid/handhavend optreden (Rb Overijssel 24/1386)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4736: Awb, Wabo; handhaving, invordering, vakantiepark, huisvesting arbeidsmigranten, dwangsommen verbeurd, verjaring, herhaling aangevoerde in beroep, onjuist of onvolledig, oordeel rechtbank, controles toezichthouder, uitvoeren last, kunnen voldoen aan last (Rb Limburg 23/952)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4746: Awb, Gmw; exploitatievergunning en vergunning uitoefening horecabedrijf, gemeentelijke verordening, Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer, bekendmaking besluit, gebruik Zivver, kenbaar maken, impliciet en expliciet, bestendige e-mailpraktijk, langs elektronische weg bereikbaar, notificatiebericht, Zivver-account, inlogcodes, Zivver-inbox, gebruikelijke wijze aangeboden, verschoonbaarheid termijnoverschrijding, vermoeden niet ontzenuwd, vakantieperiode (Rb Midden-Nederland 23/4801)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4731: Awb, Wabo; omgevingsvergunning van rechtswege, bezwaar gegrond, opnieuw omgevingsvergunning verleend, trainingsruimte paarden, geuroverlast, dierenverblijf, Wgv, toelichting wijzigingsplan, paddock, trainen en berijden paarden, houden paarden/paardenboxen, stal, rij- en traininghal (Rb Oost-Brabant 24/3508)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4742: Awb, Wabo; handhaving, invordering, bedrijfsactiviteiten, handel in en reparatie voertuigen, bulkgoederen en materialen, lod/onherroepelijk, dwangsom/verbeurd, bijzondere omstandigheden, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordeel rechtbank, informeren, voornemen tot invordering (Rb Limburg 24/2358)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4729: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, stacaravan, opslag hout in kratten, bosbestemming, omgevingsvergunning/tijdelijk plaatsen stapelbakken, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordeel rechtbank, rechtszekerheid, letterlijke uitleg planregel, bosbestemming, verboden gebruik, spanning, onderlinge samenhang, tijdelijke opslag gezaagd hout, gebruiksverbod, intrekking last, herhaling aangevoerde in beroep, herhaling overtreding (Rb Zeeland-West-Brabant 24/3051, 24/4930 en 24/3068)
* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4718: Awb; verzoek herziening uitspraak Afdeling, handhavingszaak, toetsingskader herzieningsverzoek, schriftelijk verslag klantencontact, toezichthouder gemeente, caravan en stalling op perceel, geen toezegging, mededeling derde, interne e-mailberichten, afwijzing verzoek
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 11 augustus 2026, ECLI:NL:CBB:2026:364: Awb, Msw; rundveehouderij, gebruiksnormen, derogatievoorwaarden, boetebesluit, intrekking derogatievergunning, vertrouwensbeginsel, drie stappen, telefoongesprek, telefoonnotities, RVO, diercategorie, stikstofexcretie, veesaldokaart, oppervlakte landbouwgrond, evenredigheid (Rb Gelderland 24/4083)
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 11 augustus 2026, ECLI:NL:CBB:2026:370: Awb, Wgb; toelating gewasbeschermingsmiddel, bloembol- en knolgewassen, prejudiciële vragen, arrest HvJEU, bestreden besluit, wetenschappelijke en technische kennis, hormoonontregelende eigenschappen, fludioxonil, gezondheid mens, voorschriften, gewasbeschermingsverordening, goedkeuring Europese Commissie, risicobeoordelingen, EFSA, zuiver automatische tenuitvoerlegging goedkeuring werkzame stof, verwaarloosbare blootstelling, gesloten systemen, contact met mensen, niet-doelwit organismen, respijttermijnen
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 11 augustus 2026, ECLI:NL:CBB:2026:367: Awb, Wgb; toelating gewasbeschermingsmiddel, verlengingsbesluiten, difenoconazool en fluxapyroxad, omvang geding, verwijzingsuitspraak, gewasbeschermingsverordening, onderzoek Ctgb, wetenschappelijke en technische kennis, betrouwbaarheid studie, Klimisch criteria, EFSA, gecertificeerd laboratorium, studie onafhankelijke wetenschappers, vissen, zoogdieren, wetenschappelijke literatuur, literatuuronderzoek, C2-classificatie
Rechtbank Midden-Nederland 11 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5199: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning bopa, gebouwde carport, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel, voorerfgebied, precedentwerking
* ABRvS 10 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4715: Awb; afwijzing aanvraag subsidie, restauratie rijksmonument, Subsidieregeling groot onderhoud en restauratie Rijksmonumenten provincie Groningen, procesbelang, niet-ontvankelijk, griffierecht, tegemoetgekomen aan appellant, intrekken en handhaven beroep, andere gronden dan aangevoerd, gewijzigde omstandigheden, andere aanvraag, niet tegemoetgekomen, geen vergoeding griffierecht
* ABRvS 10 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4644: Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, belangenafweging, belang/niet hoeven aanpassen of afbreken, bouwwerken, uitvoering lasten/onomkeerbaar, lange periode op perceel, artikel 2 bijlage II Bor, vergunde en niet-vergunde bouwwerken, voorlopig rechtmatigheidsoordeel, controlerapport, kantooractiviteiten, bouwtekening, rechtszekerheidsbeginsel (Rb Gelderland 25/4657)
* ABRvS 10 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4643: Awb, Wm; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, Activiteitenbesluit milieubeheer, Activiteitenregeling milieubeheer, bekendmaking, aangetekende verzending, postvervoerbedrijf/interne systeem, afhaalbericht, niet uitgereikt, invorderingsbrief, betalingsbrieven, bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk, invordering, procesbelang, proceskostenveroordeling (Rb Rotterdam 25/9982, 25/9983, 25/9984, 25/9985 en 26/87)
Rechtbank Noord-Nederland 10 augustus 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3396: Awb, Ow, Wvw 1994, Gmw; vovo, afwijzing verzoek herziening verkeersbesluit, verkeersbesluit onherroepelijk, artikel 4:6 Awb, geen beschikking/besluit van algemene strekking, nieuwe feiten of omstandigheden, advies korpschef, onderhoud noodzakelijk, ontsluiting, erfdienstbaarheid, akte, niet evident onredelijk, afwijzing handhavingsverzoek, omgevingsplan, tijdelijk deel, beheersverordening, overtreding, klaarblijkelijk gevaar, concrete wettelijke voorschriften, openbare ruimte, wegen, archeologie/relativiteitsvereiste, APV, uitzondering, opdracht bestuursorgaan/openbaar lichaam, uitwegvergunning, afwijzing verzoek
* Rechtbank Gelderland 10 augustus 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6364: Awb, Gmw; vovo, evenementenvergunning, openlucht filmfestival, wijzigingsbesluit, belanghebbende, statutaire doelstelling, feitelijke werkzaamheden, procesbelang, uitkomst procedure, feitelijke betekenis, geen doorgang, natuurbelangen/rol vergunning, APV, weigeringsgronden, bescherming milieu, woon- en leefmilieu, openbare orde, vergunningstelsel, Natura 2000, bescherming gebieden en soorten, Omgevingswet, bevoegd gezag, handhavingsverzoek, verbodsbepalingen, afwijzing verzoek
* Rechtbank Oost-Brabant 7 augustus 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5624: Awb, Wabo, Gmw; omgevingsvergunning, hotel, restaurant/niet-hotelgasten, exploitatievergunning, buitenterras, toepasselijk recht, openbare orde/niet omgevingsplan, overgangsrecht Omgevingswet, APV, geluid, akoestisch onderzoek, beoordelingsruimte, aanvaardbaar woon- en leefklimaat, geluidbelasting gevel, grenswaarden omgevingsplan, VNG-brochure, etmaalwaarde 50 dB(A), kanttekening modelberekeningen, geluidreflectie, binnenplaats, rekenmodellen, representatieve bedrijfssituatie, langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, monitoren, beoordeling later uitvoeren, ministeriële regelgever, bijlage IVh Omgevingsregeling, meervoudige reflecties, stemverheffing, gemengd gebied, woon- en leefklimaat, toetsing aan bpl/omgevingsplan, beperkingen voorschriften, algehele schorsing/onevenredige gevolgen, treffen voorziening
* Rechtbank Oost-Brabant 7 augustus 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5602: Awb, Wabo, Gmw; vovo, omgevingsvergunning, wijziging exploitatievergunning, restaurant, niet-hotelgebruikers, bodemzaken/uitspraak gedaan, vernietiging bestreden besluit, treffen voorziening/gebruik buitenterras, niet langer beslissen op verzoeken, afwijzing verzoeken, vergoeden griffierecht
Rechtbank Oost-Brabant 7 augustus 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5603: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bopa, hotel-restaurant, ophoging erfafscheiding, buitenterras, geluidnormen omgevingsplan, groepsborrels, akoestisch onderzoek, realiseren geluidscherm, spoedeisend belang, voorschriften/vergunnen meer dan aangevraagd, bestek aanvraag, ruimtelijke onderbouwing, belangenafweging, andere uitspraak, voorziening getroffen, belang vergunninghoudster beperkt, risico verdere normoverschrijding, afwijzing verzoek, treffen voorlopige voorziening
* ABRvS 6 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4627: Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen en verwijderd houden bouwwerken en voorzieningen, schorsing invordering, rapportage, bewoning, strijdig gebruik, geen uitvoering last, dwangsommen verbeurd, huurder, arbeidsmigranten, veel gewicht/belang invordering, adequate handhaving, bijzondere omstandigheden, civielrechtelijke procedure (Rb Noord-Holland 25/576 en 25/578)
! Rechtbank Noord-Nederland, LEE 24/2990 en 24/2991: Awb, Wabo, Wnb; omgevingsvergunningen mono-mestvergisters, noodzaak Wnb-vergunning, Natura 2000-gebieden, aanhaakplicht, Habitatrichtlijn, Besluit omgevingsrecht, projectbegrip, aanvragen, omgevingsvergunning beperkte milieutoets, voortoets, voor- en nafase, aard, tijd en ruimte, onlosmakelijke samenhang, noodzakelijke voorwaarde, mest uit eigen stallen, stalaanpassingen, mesttoevoer, na-opslag digestaat, bemesting, significante gevolgen, maximale capaciteit vergunde installaties, AERIUS-berekening, verkeersbewegingen, wettelijke eisen, Besluit activiteiten leefomgeving, handhaving, cumulatie, intern salderen, wijziging rechtspraak, standaardonderdelen, inspraakprocedure, Verdrag van Aarhus, aanzienlijk effect op milieu, bijlage, capaciteit
! Rechtbank Noord-Nederland, LEE 24/1837: Awb, Wabo, Wnb; omgevingsvergunningen mono-mestvergisters, ontvankelijkheid beroep, belanghebbende, statutaire doelstelling, feitelijke werkzaamheden, project, noodzaak Wnb-vergunning, Natura 2000-gebieden, aanhaakplicht, Habitatrichtlijn, Besluit omgevingsrecht, projectbegrip, aanvragen, omgevingsvergunning beperkte milieutoets, voortoets, voor- en nafase, aard, tijd en ruimte, onlosmakelijke samenhang, noodzakelijke voorwaarde, mest uit eigen stallen, stalaanpassingen, mesttoevoer, na-opslag digestaat, significante gevolgen, maximale capaciteit vergunde installaties, AERIUS-berekening, verkeersbewegingen, omgevingsplan, productie biogas, wettelijke eisen, Besluit activiteiten leefomgeving, handhaving, cumulatie, intern salderen, wijziging rechtspraak, standaardonderdelen, inspraakprocedure, Verdrag van Aarhus, aanzienlijk effect op milieu, bijlage, capaciteit
* Rechtbank Den Haag 6 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22077: BW; kort geding, verkoop bekers eenmalig gebruik, plasticvrij, zonder markering, Besluit beheer verpakkingen, Inspectie Leefomgeving en Transport, testen, daadwerkelijk op de markt brengen, SUP-richtlijn, proefpakket, uitspraken voorzieningenrechters, ontvankelijkheid, bestuursrechtelijke procedure, aanbestedingen, commerciële en juridische risico’s, onrechtmatig, toezicht houden op naleving, innemen inhoudelijk standpunt, scheppen precedent, capaciteit, brief staatssecretaris, testen of certificeren/product plasticvrij, (ondernemers)risico, College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, toezicht- en/of handhavingsbevoegdheden, gelijkheidsbeginsel, afwijzing vordering
* Rechtbank Noord-Nederland 5 augustus 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3213: Awb, TwG, BW; schadevergoeding, fysieke schade woning, bodembeweging mijnbouwactiviteiten, wandafwerking, foto's rapport, civielrechtelijke aansprakelijkheidsrecht, begroting vermogens(schade), foto's Funda, bepalen schadeomvang, aankoop woning, onderzoeksplicht, destructief onderzoek
Rechtbank Noord-Holland 5 augustus 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:9873: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, uitvoeren werkzaamheden, camping, kampeermiddelen, spoedeisend belang, voorlopig rechtmatigheidsoordeel, omgevingsplan, omvang geschil, aanlegwerkzaamheden, landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden, gemeentelijke vakafdelingen, handhaving, afwijzing verzoek
* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4959: BW; kort geding, besluit gemeenteraad, aanwijzing kavel gemeenteraad, AZC, asielzoekers, Didam-regels, nog geen aanvraag/Omgevingswet, Spreidingswet, ontvankelijkheid, bestuursrechtelijk gekleurd geschil, bestuursrechtelijk handelen, restrechter, voldoende rechtsbescherming, bewaken taakverdeling, geen publiekrechtelijk rechtsgevolg, geen bestuursrechtelijke rechtsgang, Omgevingswet, omgevingsplan, participatie, participatieverordening, Wet versterking participatie op decentraal niveau, vormvrij, grondbeleid, handelen niet onrechtmatig, bekrachtiging vonnis (Rb Overijssel 342626)
Rechtbank Oost-Brabant 4 augustus 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5551: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bopa, kleinschalig begeleid wonen, belanghebbende, statutaire doelstelling, spoedeisend belang, geen onomkeerbare gevolgen, mogelijke impact huisvesting, belang voorlopig rechtmatigheidsoordeel, Bkl, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, beleidsregels, bestemmingsplan, Brp, legaal kamergewijs bewoond, doelgroep, participatie, Wet bibob, Besluit bouwwerken leefomgeving
* Rechtbank Noord-Nederland 4 augustus 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3255: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsverzoek, lelieteelt, Natura 2000, gewasbeschermingsmiddelen, procesbelang, relativiteitsvereiste, één en hetzelfde project, wijziging toepasselijke regelgeving, bestemmingsplan, PAS-arrest, procestaal, vergunningplicht
* Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 3 augustus 2026, ECLI:NL:OGEAM:2026:101: Bouw- en woningverordening; afwijzing aanvraag bouwvergunning, limitatief-imperatief stelsel, Hillside Policy, bouwverbod, landschappelijke uitstraling, heuvelrug, bereikbaarheid perceel, ontsluitingsweg, beginselen van behoorlijk bestuur, gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel
* Rechtbank Gelderland 3 augustus 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6213: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning realiseren en gebruiken radartoren, onverwijlde spoed, onomkeerbare gevolgen, beroepen al op zitting behandeld, eerder voorlopig rechtmatigheidsoordeel, feitelijk bouwen, belang tussentijds stilleggen werkzaamheden, indirect financiële belang, ingebruikname, geen spoedeisend belang, voorafgaand informeren, gelegenheid indienen verzoek om voorlopige voorziening, geen spoedeisend belang, afwijzing verzoek
Rechtbank Oost-Brabant 3 augustus 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5522: Awb, Ow; omgevingsvergunning drie woningen met ontsluitingen, looppad, reikwijdte vergunning, geen onderwerp geschil, voorschrift, rabatstrook, verkeersmaatregelen, verkeersinrichting, toepasselijke regelgeving, parkeerplaatsen eigen terrein, realisatie en instandhouding/geborgd
* Rechtbank Rotterdam 31 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:9815: Awb, Waterwet; watervergunning, kernzone primaire waterkering, uitvoeren reconstructie kruisingen, Keur, limitatieve opsomming weigeringsgronden, doelstellingen artikel 2.1, waterstaatkundige bezwaren, toetsingskader, gemeentelijke plannen en beleid, risico-inventarisatie, dijklichaam, aanvraagformulier, Waterregeling, uitvoering handeling, Afdeling Stadsbeheer, projectleider, vereiste gegevens verstrekt
* Rechtbank Rotterdam 31 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:9810: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, transformeren school naar woningbouw, weigering omgevingsvergunning kappen kastanjeboom/geen vergunning nodig, ontvankelijkheid, Varkens in nood, belanghebbende, artikel 6:13 Awb, bomenverordening, privaat eigendom, niet openbaar toegankelijk, positieve weigering, geen voorschriften of beperkingen, wijziging ondergeschikte aard, funderingsherstel, verklaring van geen bedenkingen, ecologie, stikstof, Natura 2000, relativiteitsvereiste, waterberging, hemelwaterverordening, alternatieven, geluid, warmtepompen, Activiteitenbesluit, aanvulling rechtsgronden, Bouwbesluit 2012, HMRI, vergunningvoorschrift, parkeren, parkeernota, aantal parkeerplaatsen, stof en hinder, sloop- en bouwveiligheidsplan, participatie
* Rechtbank Noord-Nederland 31 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3162: Awb, Wnb; wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden, bevoegdheid rechtbank, proceseconomische afspraken, effectieve geschilbeslechting, gewijzigd aanwijzingsbesluit, belanghebbende, afstand, procesbelang, relativiteitsvereiste, habitattypenkaarten, ontwerpbesluit, RVO, verbeelding, documentatiemateriaal, passeren gebrek, noodzaak aanwijzen habitattypen, corrigeren, actualiseren, belangenafweging, habitattypen en soorten, instandhoudingsdoelstellingen
* Rechtbank Noord-Nederland 31 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3161: Awb, Wnb; wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden, zorgvuldigheid besluitvormingstraject, habitattypenkaarten, documentatiemateriaal, passeren gebrek, meer dan verwaarloosbare mate, belangenafweging, habitattypen en soorten, instandhoudingsdoelstellingen
* Rechtbank Noord-Nederland 31 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3159: Awb, Wnb; wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden, omvang geding, Habitatrichtlijn, aanwijsverplichting, procedure, gebiedsinformatieformulier, Verdrag van Aarhus, meer dan verwaarloosbare mate, belangenafweging, habitattypen en soorten, instandhoudingsdoelstellingen
* Rechtbank Noord-Nederland 31 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3153, Rechtbank Noord-Nederland 31 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3155 en Rechtbank Noord-Nederland 31 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3154: Awb, Wnb; wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden, habitattypenkaarten, ontwerpbesluit, documentatiemateriaal, Verdrag van Aarhus, ecologische onderbouwing, actualiseren, corrigeren, instandhoudingsdoelstellingen, meer dan verwaarloosbare mate, gevolgen bedrijfsvoering
* Rechtbank Noord-Nederland 31 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3152: Awb, Wnb; wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden, meer dan verwaarloosbare mate, belangenafweging, habitattypen en soorten, instandhoudingsdoelstellingen
* Rechtbank Noord-Nederland 31 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3157 en Rechtbank Noord-Nederland 31 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3160: Awb, Wnb; wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden, habitattypenkaarten, ontwerpbesluit, documentatiemateriaal, passeren gebrek, inspraak na Europese registratie, richtlijnen, nauwkeurige kaarten, meer dan verwaarloosbare mate, belangenafweging, habitattypen en soorten, instandhoudingsdoelstellingen
Rechtbank Midden-Nederland 30 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5150: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa, woningbouw en wijzigen uitweg, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, welstandsadvies, concrete aanknopingspunten voor twijfel, geen tegenadvies, summier onderbouwd, instructieregels omgevingsplan, relativiteitsvereiste, bescherming waterbelangen, belang omwonenden/geen wateroverlast, wadi, waterhuishoudkundige situatie, belangenafweging, stedenbouw, verkeer, privacy, lichthinder, geluid, cumulatie, warmtepompen, wegverkeer, standaardwaarde gemeentelijke wegen, Besluit kwaliteit leefomgeving, geluid appartementencomplex omgevingsplan
* Rechtbank Overijssel 30 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4651: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, boot, verkoopunit, advies bezwaarschriftencommissie, strijd bpl en omgevingsplan, bouwwerk, Besluit omgevingsrecht, Besluit bouwwerken leefomgeving, gelijkheidsbeginsel, herhaling reeds besproken beroepsgronden, uitzonderlijk geval, nieuwe beroepsgrond, goede procesorde
Rechtbank Overijssel 30 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4650: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa, omgevingsplanactiviteit, vervangen bestaande afzuiginstallatie, ventilatievoorzieningen, opvanglocatie, technische bouwactiviteit, onlosmakelijke samenhang, geur, geluid, enige gevolgen, ventilatiecapaciteit, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, bindend advies gemeenteraad, geen vestiging nieuwe locatie, college bevoegd tot beslissen/zonder bindend advies
Rechtbank Overijssel 30 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4653: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, spoedeisend belang, bezwaar/redelijke kans van slagen, botenhuis, omgevingsvergunning, omgevingsplan, concreet zicht op legalisering, vergunbare aanvraag, hoogte dwangsom, onvoldoende financiële prikkel, belangenafweging, afwijzing verzoek
* Rechtbank Noord-Nederland 30 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3242: Awb, Gmw; vovo, weigering evenementenvergunning en verlening evenementenvergunning, spoedeisend belang, APV, beleidsregels, concurrerende aanvragen, gezamenlijke oplossing, kenbaar en duidelijk, uitnodiging overleg, niet gewenste resultaat, beoordelingsmaatstaf, algemene beginselen van behoorlijk bestuur, afwijzing verzoek
* Rechtbank Noord-Nederland 29 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3175: Awb, TwG, BW; schadevergoeding, immateriële schade, mijnbouwactiviteiten, geanodiseerde methode, bouwstenen, Persoonlijke Impact Analyse (PIA), echtgenoot, vergoeding binnen huishoudens, gelijktrekken vergoeding, afgeleide vergoeding, kinderen, wettelijk vertegenwoordiger, niet minderjarig
Rechtbank Rotterdam 28 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:9870: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, schutting, omgevingsplan, bpl, tuinbestemming, Vangnetregeling Omgevingswet, vergunningvrij, erf- of perceelafscheiding, begrip "voorkant", voorgevelrooilijn, feitelijke situatie, niet vergunningvrij, evenredigheid, Harderwijk-uitspraak, concreet zicht op legalisatie, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel, invordering, afwijzing verzoek
Rechtbank Rotterdam 28 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:9869: Awb, Ow; vovo, maatwerkvoorschriften, horecabedrijf, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, dansen, versterkt stemgeluid, versterkte muziek, equivalente geluidniveau, bevoegdheid/omgevingsplan, handhavingsgeschiedenis, geluidbegrenzer, maximaal toelaatbare geluidniveaus, toezicht en handhaving, kosten begrenzer, terras, representatieve bedrijfssituatie, zijdeur, ongereguleerd open blijven staan, afwijzing verzoek
* Rechtbank Noord-Holland 27 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:9197: Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, ontvankelijkheid, belang bescherming milieu, beoordelingsruimte, treinbewegingen, emplacement, doorgaand treinverkeer, dienstnummer, kopstations, wetgeving, milieubelastende activiteit, akoestisch onderzoek, tussenuitspraak
* Rechtbank Noord-Nederland 27 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3291: Awb, Msw; bestuurlijke boete, gebruiksnorm dierlijke mest, fosfaatgebruiksnorm, omvang geschil, evenredigheid boete, wettelijk voorschrift, wetgever, mate verwijtbaarheid, adviseur, rekening en risico eiser, mestafzet, derogatie, financiële draagkracht, financieel deskundige RVO, betalingsregeling
* Rechtbank Limburg 24 juli 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:7606: Awb, Wbr; Wbr-vergunning, vervangen bestaande zendmast, verzorgingsplaats, bosschage, HOP, omvang geding, briefgeheim, belangenafweging, memorie van toelichting, garanderen voldoende dekking, wettelijke plicht, alternatieven, vertrouwensbeginsel, discrepantie, eventuele toezeggingen ander bestuursorgaan, grondrechten
* Rechtbank Limburg 23 juli 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:7409: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, nevenactiviteiten, zorgboerderij en educatieruimte, omvang geding, detailhandel, ondergeschikte activiteit, verkeer, verkeersrapport, verkeerstoename, vrachtwagens, verkeersveiligheid, omgevingsvergunning beperkte milieutoets, omvang hoofdactiviteit, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* Rechtbank Midden-Nederland 23 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4700: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, zonnepark, trafohuisjes en inkoopstation, beroepsgronden na beroepstermijn, verschoonbaar, kennisgeving, niet vermelden Chw van toepassing, ontvankelijkheid, Varkens in nood-jurisprudentie, relativiteitsvereiste, procedurele normen, statutaire doelstelling, feitelijke werkzaamheden, juridische procedures, stichting in oprichting, natuurlijke personen, directe woon- en leefomgeving, participatie, verklaring van geen bedenkingen, aanvraagformulier, tijdelijkheid zonnepark, ruimtelijke aanvaardbaarheid, locatiekeuze, NOVI, zonneladder, subsidieregeling, RES, MER-beoordeling, landinrichtingsproject, geluid, natuur, stikstof, bouwverordening, privaatrechtelijke belemmering/evident karakter, uitvoerbaarheid, tussenuitspraak
* Rechtbank Midden-Nederland 23 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4924: Awb; vovo, handhaving, dwangsom, uitspraak zonder zitting, verzoek/geen afschrift besluit, geen reactie, griffier, contact college, geen bezwaarschrift bekend, geen bezwaarprocedure, kennelijk niet-ontvankelijk
* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4764: Sr, Gmw, Wm, Wed; bestuurlijke boete, oproep zitting kantonrechter, track & trace-code, afvalstoffenverordening, overtredingsrapport, overtreder, bewijsvermoeden, aangetroffen brief, herleidbaar tot eiser
* Rechtbank Rotterdam 21 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:8937: BW, Aw; kort geding, aanbestedingsprocedure, leverancier, secundaire grondstof, toeslagmateriaal beton, bodemas, verbranding huishoudelijk afval, aanbestedingsprocedure, circulair, Circulair Materialenplan, vordering, verbod gunningsbeslissing, overgaan gunning overeenkomst, intrekken aanbesteding, ontvankelijkheid, levering betonnen tegels, ruime beoordelingsmarge, technische specificaties, kernbeginselen aanbesteding, NEN-normen 206:2013+A2:2021 en NEN 8005, verbrijzelingsindex, vergunningen, ontheffingen, afvalstoffenwetgeving, Omgevingswet, afwijzing vorderingen
Rechtbank Midden-Nederland 20 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4879: Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, vintage winkel, horeca, horecaverordening, omgevingsplan, verklaringen vrijwilligers, proces-verbaal, inspecteurs, horecaterras, gevelbankjes, ondersteunende horeca, ondergeschikte activiteit, hoogte dwangsom, invordering, foto, overtreding, dwangsommen verbeurd, juridische kwalificatie/bevoegd gezag, belang invordering/zwaarwegend gewicht, bijzondere omstandigheden, financiële draagkracht overtreder, evident
Rechtbank Midden-Nederland 17 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4718: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, bewoning bedrijfswoning, geen huishouden, noodzakelijkheidseis, omgevingsplan, geen afwijkingsmogelijkheid, buitenplanse omgevingsplanactiviteit, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, begrip "huishouden", systematiek plan, normaal spraakgebruik, Van Dale, vaste samenlevingsverband, huurders, controlerapport, belangenafweging, hoogte dwangsom, begunstigingstermijn
* Rechtbank Midden-Nederland 15 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4665: Awb; verzoek nemen besluit, niet overgaan tot nemen verzochte besluit, publiekrechtelijke bevoegdheid, rechtsplicht, rechtstreeks beroep, weigering, bezwaar, geen rechtsmiddelenclausule, instemmen rechtstreeks beroep, overslaan bezwaarfase, mededeling bestuursorgaan, niet bevoegd, rechtsgevolg, vermeende bevoegdheid, geen enkele bevoegdheid, constructieve veiligheid woning, bestuurlijk rechtsoordeel, definitief bedoeld oordeel, toepasselijkheid wettelijk voorschrift, opmerkingen gebruiksverbod, feitelijke en informatieve aard, geen besluit, geen beroep, rechtbank onbevoegd
* Rechtbank Gelderland 15 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6306: BW; verlening vergunning woningbouw, gedeeltelijke intrekking vergunning, vordering/verklaring voor recht, onrechtmatig handelen, belangenafweging vertrouwensbeginsel, vorderingen niet-ontvankelijk, verkeerde partij, B&W, civielrechtelijke procedure, natuurlijke personen, rechtspersonen, college/geen rechtspersoonlijkheid, gemeente/wel rechtspersoonlijkheid, dagvaarden, overwegingen ten overvloede, intrekkingsbesluit, met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang, ongegrond, afwijzing verzoek herziening usp, formele rechtskracht, vorderingen/onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd, producties, ondersteunen stellingen/niet vervangen daarvan
* Rechtbank Amsterdam 14 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7716: Awb, Wabo; weigering aanvraag omgevingsvergunning, oprichting geheel nieuwe mijnbouwinrichting, verklaring van geen bedenkingen, gemeentelijk en provinciaal beleid, bestemmingsplan, agrarische landschap, open veenpolderlandschap, structuurvisie, laagveengebied, weidevogels, kleine gasvelden, kleineveldenbeleid, Structuurvisie Ondergrond
* Rechtbank Amsterdam 14 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7081: Awb; omgevingsvergunning gebruik buitenruimte als terras, artikel 6:13, ontvankelijkheid, geschreven in eerste persoon, handtekeningenlijst, steunbetuiging, machtiging, afzonderlijk beroep
* Rechtbank Gelderland 14 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5603: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, woningbouw, Chw, gevolgen bedrijfsvoering, VNG-brochure, gemengd gebied, geluid, parkeervoorziening, geluidonderzoek, omvang gebouw, einduitspraak respectievelijk tussenuitspraak
* Rechtbank Gelderland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5517: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, fase 1, woningbouw, Chw, procedure, behandeling vvgb, kennisgeving besluit, woningbehoefte, alternatief, ontsluiting, aanmerkelijk minder bezwaren, verkeersveiligheid, overzichtelijkheid, geen gelijkwaardig resultaat, nota van zienswijzen, beroepsgronden onvoldoende onderbouwd
Rechtbank Gelderland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5513: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, ontwikkeling bedrijventerrein, uitvoering bpl, Besluit activiteiten leefomgeving, das, inheemse soort, flora- en fauna-activiteit, Flora- en faunawet/jurisprudentie, uitzonderingen, essentieel foerageergebied, functionaliteit burcht, compensatie, leefgebied, dassenpopulatie
Rechtbank Midden-Nederland 10 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4302: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa, bouwen aanbouw woning, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, beleidsruimte, participatie, gemeentelijk beleid, bindend adviesrecht, alternatieven, parkeren, parkeerplaatsen, relativiteitsvereiste, belangenafweging, NNN, privacy, lichttoetreding, schaduwwerking, verminderde zichtlijnen
* Rechtbank Limburg 8 juli 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6585: BW; eigenaar garage, recht plaatsen zonnepanelen, onrechtmatige hinder, maatregelen, schitteringsrapport, metingen, lichthinder, hoor en wederhoor, substantiële aantasting woongenot, descente, aanpassen of verwijderen PV-installatie, voornaamste energievoorziening, gasloze woning, verplaatsen, kantelen, alternatieven, afwijzing vorderingen
* Rechtbank Oost-Brabant 8 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5283: BW; gewasbeschermingsmiddelen, lelieteelt, vordering, verklaring voor recht/onrechtmatig handelen, aansprakelijkheid geleden schade, verlenen medewerking/vestiging erfdienstbaarheid, bevoegdheid rechtbank, Europese Verordening Gewasbeschermingsmiddelen, Ctgb, toelating/bestuursrechtelijk besluit, Wgb, geen rechtsbescherming, burgerlijke rechter, Handvest, restrechter, ontvankelijkheid, voorzorgsbeginsel/geen zelfstandige grondslag, gevaarzetting, schadevoorkomingsplicht, algemene zorgvuldigheidsnorm, Kelderluikfactoren, wetenschappelijke onzekerheid, voorzorgsmaatregelen, voorzorgsverplichting, plausibel vermoeden, RIVM-rapport, neurotoxisch, bijzondere zorgplicht, inwinnen deskundigenbericht, tussenuitspraak
* Rechtbank Rotterdam 6 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:9067: Awb, Ow; vovo, afwijzing verzoek last onder bestuursdwang, fundering woning, constructeur, rapport, slankheidsregel, kniklengte, funderingspalen, omgevingsplan, tijdelijk deel, stabiliteitscontrole, NEN 9997-1, draagkrachttekort, mogelijkheden overtreding, omgevingsvergunning, Besluit bouwwerken leefomgeving, NEN-normen, funderingspalen/voorgeschreven diameter, feitenvaststelling, spoedprocedure, verzoekers/overtreders, vergunninghouder, onveilige of gevaarzettende situatie, civiele aangelegenheid, verzoekers en aannemer, afwijzing verzoek
Rechtbank Amsterdam 3 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6856: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, vellen houtopstand, gemeentelijke bomenverordening, discretionaire bevoegdheid, deskundige, kapadvies, belangenafweging, natuurfunctie, schuilplaats, broedplek, natuur- en milieuwaarde, stedelijke omgeving, juistheid gegevens, schouwronde, economisch delict, vaste rust- of verblijfplaats, beschermde soort, participatie, afwijzing verzoek
Rechtbank Den Haag 2 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20356: Awb, Ow; niet tijdig nemen besluit, handhavingsverzoek, Kaderrichtlijn water (KRW), maatregelenprogramma's, stroomgebiedsbeheerplannen, Omgevingsbesluit, reactie verzoek, mededeling, rechtsgevolg, aanwezigheid en reikwijdte veronderstelde bevoegdheid, geen enkele bevoegdheid, ruime reikwijdte handhavingsbevoegdheid, besluit genomen, niet-ontvankelijk, beroepschrift/doorsturen als bezwaarschrift
* Rechtbank Limburg 2 juli 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6893: Awb, Wnb; ontheffing, woningbouw, dassenburcht, kunstburcht, belanghebbende, objectief, persoonlijk, eigen en actueel belang, direct grenzen aan perceel, verboden handeling, gevolgen, besluitonderdelen, ruimtelijke besluiten, onjuiste rechtsopvatting
* Rechtbank Limburg 2 juli 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6415: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, telecommast, alternatieven, geschiktheid locatie, gelijkwaardig resultaat, aanmerkelijk minder bezwaren, technische oplossingen, bestaande infrastructuur, belangenafweging, algemeen maatschappelijk belang, continuïteit mobiele netwerken, uitzicht, woon- en leefklimaat, zichtlijn, voorschriften, welstand
* Rechtbank Limburg 29 juni 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6187: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen bouwwerk, hersituering zonnepanelen, bouwaanduiding, bestemmingsomschrijving, dubbelbestemming, welstand, welstandscommissie, welstandsadvies, geen contra deskundigenadvies, concrete aanknopingspunten aandragen
* Rechtbank Limburg 26 juni 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6480: Awb, Waterwet; watervergunning dempen en verleggen oppervlaktewaterlichaam onttrekken water, toepasselijke recht, overgangsrecht Omgevingswet, bevoegdheid rechtbank, leggerbesluit/onbevoegd, geen wijziging beschermingszone, geen uitzondering bijlage 2 Awb, omvang geding, bevoegdheid dagelijks bestuur, (aparte) melding, Keur, vergunning- of meldingsplichtig, uitvoeringsregel, stroomschema, grondslag aanvraag/vergunde, doelstellingen Waterwet, hydrologische onderzoeken, toetsingskader, voorschriften, schade, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding, deskundigenkosten
* Rechtbank Limburg 26 juni 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6156: Awb; handhaving, dwangsom, loods/zelfstandige woning, geen omgevingsvergunning, BRP, overtreding, concreet zich op legalisatie, geen bereidheid verlenen vergunning, vertrouwensbeginsel, welbewuste standpuntbepaling, evenredigheid, vervangende woonruimte zoeken, financiële problemen, begunstigingstermijnen, passende regeling, treffen voorlopige voorziening, verbeuren dwangsom, schuldsanering, rust en stabiliteit, huidige woningmarkt, aantoonbaar en actief inspannen, actief meedenken en hulp bieden college
* Rechtbank Midden-Nederland 25 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4977: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, uitleg overgangsrecht, ten onrechte gebaseerd op Ow, motiveringsgebrek, artikel 6:22 Awb, dezelfde overtreding, bouwen zonder vereiste vergunning, overtreding, bebouwingsgebied, aanwezige bebouwing, oppervlaktes, achtererfgebied, geen concreet zich op legalisatie, hoogte dwangsom, beleidsruimte, rechtelijke toets/terughoudend, Landelijke Leidraad, gestegen bouwkosten
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5607: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning woningbouw en aanleggen uitrit, spoedeisend belang, niet kortsluiten, heroverweging in bezwaar, artikel 7:11 Awb, deelbesluiten, advies bezwaarschriftencommissie, gefragmenteerde besluitvorming, afwijken advies of volgen advies, procedurele gebreken, bpl, verkeersveiligheid, vellen houtsopstand, aanvraag, beleidsregels, waardering individuele boom, beoordelingscriteria, herplantplicht, belangenafweging, tabel, soortenaanduiding, minimale aanplantmaat, schorsing omgevingsvergunning, toewijzing verzoek
Rechtbank Midden-Nederland 24 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4576: Awb, Gmw; vovo, toestemming noodkap, bomenverordening, winterlinde, urgent en groot gevaar, bomendeskundige, visuele inspectie, ernstige worstelschade, storm, oordeel andere deskundige, tegenrapport, drastisch snoeien, direct vellen, definitiebepaling, gevaarzetting, onderling overleg, afwijzing verzoek
* Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 19 juni 2026, ECLI:NL:OGEAC:2026:137: Lar; vovo, bouwvergunning bouwen flatcomplex, ontvankelijkheid, uittreksel handelsregister, buurtvereniging, spoedeisend belang, verzoek handhavend optreden, onomkeerbare gevolgen, verkavelingsplan, gevelrooilijn, eilandsverordening, weginrichting, bebouwingsvoorschriften, goedkeuring, bouwperceel, situatietekening, stippellijn, bouwhoogte, bebouwingsdichtheid, bouwtekening, verkeer, parkeren, bereikbaarheid, omgeving ontsieren, hinderlijk voor omgeving, herstel gebreken bezwaarfase, afwijzing verzoek
* Rechtbank Noord-Nederland 5 juni 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3279: Awb; afwijzing handhavingsverzoek, geluid- en trillinghinder, voldoen wettelijke normen, laten verrichten metingen, adviezen WHO, Wgh, bebouwde kom, Omgevingswet, Besluit kwaliteit leefomgeving, onjuiste kwalificatie verzoek, te beperkt opgevat, meetgegevens, begin van bewijs, apparatuur
* Rechtbank Limburg 5 juni 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:5485: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit, vrees voor misbruik, handhaving overtreding vergunningvoorschriften, waarschuwing/alternatief weigering, persoonlijke omstandigheden
Rechtbank Den Haag 28 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20344: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning, legaliseren installatiegebouw warmtepomp en buffervat, omgevingsplan, bouwperceel, bebouwingsvlak, tuinbestemming, bouwwerken geen gebouwen zijnde, definitie "gebouw", volledige overdekking, beoordelingsregels omgevingsplan, bopa, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, stedenbouwkundig onwenselijk, beschermd stadsgezicht, groenstructuur, belangenafweging, ruimtelijke belangen, persoonlijk belang, verduurzaming
Rechtbank Den Haag 22 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20352: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning, gebruik gebouw als woning, omgevingsplan, uitleg planregel, rechtszekerheid/letterlijk uitleggen, gemengde bestemming, tijdelijk deel omgevingsplan, verbeelding, doeleindenomschrijving, gebruiksregels, definitie "bijgebouw", inleidende begripsbepalingen, afwijzing/terecht, onjuiste gronden, geen omgevingsvergunning bopa vereist, positieve weigering
Rechtbank Den Haag 18 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20338: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, vergroten woongebouw, extra bouwlaag met twee appartementen, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, bouwhoogte, bebouwde oppervlakte, stedenbouwkundige situatie, gehele dakvlak volgebouwd, bebouwingsvolume, woningcrisis, planwetgever, definitie dakopbouw/extra bouwlaag
* Rechtbank Midden-Nederland 11 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5371: Awb; vovo, omgevingsvergunning (ver)bouwen achtergevel, onverwijlde spoed, spoedeisend belang, onomkeerbare situatie, ongedaan maken bouwwerkzaamheden, evidente onrechtmatigheid, effecten broedvogels, welstandscommissie/positief advies, concrete aanknopingspunten voor twijfel, afwijzing verzoek
* Rechtbank Noord-Nederland 24 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3282: Awb; spoedeisende bestuursdwang, verwijderen bakstenen, rapport, foto's, gevaarlijke situatie, contact, besluit, vrees oplegging dwangsom
* Rechtbank Midden-Nederland 15 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5357: Awb, Wro; afwijzing verzoek tegemoetkoming in planschade, schadeoorzaak/bpl, planologisch nadeliger situatie, vervallen bedrijfswoning, voorzienbaarheid, publicatie ontwerpbpl, concreet beleidsvoornemen, Staatscourant, peildatum voorzienbaarheid, concrete poging, geen aanvraag, bouwplan, bouwtekeningen architect, bijzondere omstandigheden
* Rechtbank Noord-Nederland 9 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3262: Awb, Hvw; bestuurlijke boete, onvergunde zelfstandige bewoning, overtreder, eigenaar en verhuurder, nalaten toezicht, bewust nemen risico, hoogte boete, wettelijk voorschrift, bijzondere omstandigheden, verminderde verwijtbaarheid, beperkte ernst overtreding, geringe financiële draagkracht, geen onredelijk sanctiemiddel, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Amsterdam 8 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7057: Awb, Hvw; bestuurlijke boete, zonder vergunning, omzetten zelfstandige woning/zelfstandige woonruimten, boetetabellen, bevoegdheid opleggen boete, gevolgen leefbaarheid, geluid, parkeren, hoogte boete, bijzondere omstandigheden, aannemelijk maken
* Rechtbank Amsterdam 1 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:11513: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en brandveilig gebruiken, kinderdagverblijf, ontvankelijkheid beroep, aanvang beroepstermijn, publicatie, akoestisch onderzoek, piekgeluiden, stemgeluid, kruimelgevallenregeling, huisvestingsvergunning, beleid, geluidregelgeving

Week 33 - Bijzondere overwegingen uit totale overzicht

* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4741: Awb, Wabo, Wm; handhaving, dwangsom, landbouwbedrijf, opslaan materialen, wegwerkzaamheden, asfaltschollen, funderingsmateriaal, rechtbank/onbevoegd verklaard, doorgestuurd naar Afdeling, bevoegdheid Afdeling, lasten/grondslagen, erkend afvalverwerker, één besluit, ambtshalve overweging, minister van IenM/IenW, zelf in de zaak voorzien, herroepen besluit, hoogte griffierecht, overschrijding redelijke termijn/oordeel in afzonderlijke uitspraak
5. [appellante] heeft - overeenkomstig de rechtsmiddelenclausule in het besluit op bezwaar - hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. De zaak is op zitting bij de rechtbank behandeld. De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 14 april 2023 (zaak nr. 21/415) onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep en het beroep doorgestuurd naar de Afdeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, is de Afdeling echter slechts ten dele bevoegd om kennis te nemen van het beroep van [appellante].
5.1. Uit artikel 8:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 2 van bijlage 2 van die wet, volgt dat de Afdeling bevoegd is kennis te nemen van een beroep tegen een besluit over handhaving op grond van artikel 10.45 van de Wet milieubeheer. De Afdeling is dus bevoegd om kennis te nemen van het beroep, voor zover dat is gericht tegen last 1. De rechtbank is op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de Awb bevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen een besluit over handhaving op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Last 2 heeft deze bepaling als grondslag. Dat [appellante] de last om te voldoen aan de Wabo moet uitvoeren door de afvalstoffen in overeenstemming met artikel 10.37 van de Wet milieubeheer af te voeren naar een erkend afvalverwerker, laat onverlet dat overtreding van de Wabo ten grondslag is gelegd aan last 2. Dit betekent dat niet de Afdeling, maar de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het beroep, voor zover dat is gericht tegen de instandlating van last 2. Dat last 1 en last 2 in één besluit zijn opgenomen doet hieraan niet af. Het gaat immers om twee afzonderlijke lasten onder dwangsom met elk een eigen grondslag, niet om (bijvoorbeeld) één last die is opgelegd vanwege de overtreding van meerdere wettelijke bepalingen (zoals aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:905). Dat beide lasten zijn gebaseerd op dezelfde feitelijke situatie en dat een oordeel over de ene last een impliciet oordeel zou kunnen inhouden over de andere last, maakt niet dat moet worden afgeweken van de wettelijke regeling van de absolute competentie van bestuursrechters.
5.2. Gezien het voorgaande is de Afdeling onbevoegd om kennis te nemen van het beroep, voor zover dit is gericht tegen last 2. De Afdeling zal het beroepschrift en de daarbij behorende besluiten en stukken in zoverre met toepassing van artikel 6:15 van de Awb terugzenden naar de rechtbank Rotterdam.
7. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. Bij het besluit op bezwaar heeft het college de grondslag van last 1 gewijzigd naar artikel 10.45 van de Wet milieubeheer. Op grond van artikel 18.2b, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer is de minister van Infrastructuur en Milieu (Infrastructuur en Waterstaat) bevoegd om handhavend op te treden tegen overtreding van artikel 10.45 van de Wet milieubeheer. Het college was dus niet bevoegd om last 1 met als grondslag artikel 10.45 van de Wet milieubeheer aan [appellante] op te leggen. Zoals ter zitting besproken komt het besluit op bezwaar alleen al daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling komt daarom niet toe aan de beroepsgronden die zien op deze last.

* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4743: Awb, Wro; bpl, parapluplan, parkeerregeling, voldoende parkeerbehoefte, winkelpanden, beperken bouw- en gebruiksmogelijkheden, laden en lossen, Dienstenrichtlijn/nieuwe beroepsgrond, goede procesorde, noodzaak planregel, begrippen, begripsomschrijving onderliggend bpl, algemeen taalgebruik, niet rechtsonzeker, systematiek, artikel 3.1 Wro, beginsel van rechtszekerheid, objectieve maatstaven, parkeren, nader toetsingsmoment, detailhandelsbeleid, uitvoerbaarheid
10. Ten aanzien van de beroepsgronden van Symbion over artikel 3.2 van de planregels, overweegt de Afdeling het volgende. Niet in geschil is dat in artikel 6 van de planregels van het parapluplan is geregeld dat de regels uit het parapluplan in samenhang gelezen moeten worden met de bestemmingsplannen die binnen de gemeentegrenzen gelden. Artikel 3.2 van de planregels van het parapluplan heeft betrekking op het voorzien van voldoende ruimte voor laden en lossen bij een wijziging van het gebruik van gronden, waaronder de wijziging naar een gebruik of functie dat binnen een bestemming van een ter plaatse geldend bestemmingsplan is toegestaan. Gelet op artikel 3.2, onder a, van de regels van het parapluplan ontstaat als gevolg van het voorliggende plan de situatie dat een wijziging van een onder het bestemmingsplan toegestaan gebruik, op grond van het parapluplan zonder nader toetsingsmoment als strijdig gebruik wordt aangemerkt in de situatie dat niet is voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen van goederen op het bouwperceel. De Afdeling is van oordeel dat dit in strijd is met de systematiek van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en met het beginsel van rechtszekerheid omdat een nader toetsingsmoment, waarbij door het college van burgemeester en wethouders op basis van objectieve maatstaven kan worden vastgesteld of de wijziging van het gebruik leidt tot strijdig gebruik als bedoeld in artikel 3.2, onder a van de regels van het parapluplan, ontbreekt. Gelet hierop heeft de raad artikel 3.2 van de regels van het parapluplan niet mogen vaststellen. Het betoog slaagt.

* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4725: Awb, Wro; bpl, woning met recreatieve bestemming, permanente bewoning/mogelijk maken, Ruimte-voor-ruimteregeling, woonbestemming, provinciale verordening, ruimtelijke titel, certificaat, omgevingskwaliteit, gesloopte bedrijfsgebouwen, bebouwingslint, bebouwingsconcentratie, ontwikkelingsrichting, structuurvisie, woongenot, herstelopdracht, flexibele termijn, tussenuitspraak
5.2. Over de ruimtelijke titel voor de ruimte-voor-ruimtewoning overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toepassing gegeven aan artikel 3.79, aanhef en onder a, van de IOV zoals deze luidde onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2024. Op grond hiervan mogen in het landelijk gebied dergelijke woningen worden gerealiseerd onder voorwaarde dat de ontwikkeling door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit. Voor de woning is een certificaat verleend door de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor ruimte II CV (ORR). Het titelnummer van dat certificaat is 20170871. Gelet op wat is overwogen in de uitspraak van 9 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1568, onder 10.2, en in de uitspraak van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1692, onder 5.1, blijkt ook hier niet dat er een aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit aan het certificaat ten grondslag ligt. Vast staat dat met de uitgifte van certificaten niet alleen de investeringen in het kader van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) en de regeling Ruimte voor ruimte verbreed worden terugverdiend, maar ook rentekosten en zogenoemde stimuleringsbijdragen, waarmee gemeenten financieel worden geprikkeld om deel te nemen aan de Ruimte-voor-ruimteregeling. Met de verkoop van een Ruimte-voor-ruimtetitel worden daarom niet alleen in het verleden gedane investeringen in de sloop van bedrijfsgebouwen terugverdiend, maar ook andere kosten die in de loop van de tijd zijn gemaakt om het systeem in stand te houden en die niet direct zijn gekoppeld aan de sloop van bedrijfsgebouwen. Dit betekent dat niet vast staat dat een uitgegeven certificaat voor een bouwtitel gelijk staat aan 1.000 m² aan gesloopte bedrijfsgebouwen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:396, onder 3.7, was met certificaten tot en met nummer 20170216 voldoende gewaarborgd dat 1.000 m² aan bedrijfsgebouwen van een beëindigde veehouderij is gesloopt voor één bouwtitel. Dit betekent dat voor certificaten met een hoger nummer de raad een zelfstandige plicht heeft om te achterhalen of het betrokken certificaat ook daadwerkelijk een behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit betreft. De enkele toelichting dat er een certificaat is verworven, zoals de raad in paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting heeft gedaan, en dat versterking van het aanwezige groen in de planregels is geregeld is hiervoor onvoldoende. De raad moet in ieder geval inzicht geven in het object dan wel de objecten die zijn gesloopt, de ligging van de objecten, de hoeveelheid gesloopte vierkante meters en de hoeveelheid vierkante meters die eventueel al voor een andere (ruimte-voor-ruimte)ontwikkeling zijn ingezet, dan wel een vergelijkbaar inzicht geven in een andere kwaliteitsimpuls in concreto die plaats heeft gevonden. Omdat dit voor het certificaat in deze zaak niet inzichtelijk is gemaakt, heeft de raad niet goed gemotiveerd dat er sprake is van een behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit in de zin van artikel 3.79, eerste lid, onder a, van de IOV.
10. De Afdeling zal de raad opdragen om uiterlijk binnen 12 weken nadat in de zaak waarin op 9 april 2025 uitspraak is gedaan met nr. ECLI:NL:RVS:2025:1568, opnieuw uitspraak is gedaan, dan wel die zaak op een andere wijze is beëindigd, het hierboven genoemde gebrek te herstellen. De raad kan dit doen door alsnog te motiveren dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de IOV, bijvoorbeeld door alsnog te motiveren dat er sprake is van aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit in de zin van artikel 3.79, eerste lid, onder a, van de IOV, voor zover het gaat om de bouwtitel van de woning waarvoor certificaat van de ORR zijn verkregen (hierbij moet ook inzicht worden gegeven in het object dan wel de objecten die zijn gesloopt). De raad kan ook een gewijzigd besluit nemen. De Afdeling geeft de raad hiervoor deze flexibele termijn, zodat duidelijker is waar een eventuele nadere motivering aan moet voldoen. Het staat de raad ook vrij het gebrek eerder te herstellen op een wijze die hij passend acht. (…)

* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4729: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, stacaravan, opslag hout in kratten, bosbestemming, omgevingsvergunning/tijdelijk plaatsen stapelbakken, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordeel rechtbank, rechtszekerheid, letterlijke uitleg planregel, bosbestemming, verboden gebruik, spanning, onderlinge samenhang, tijdelijke opslag gezaagd hout, gebruiksverbod, intrekking last, herhaling aangevoerde in beroep, herhaling overtreding (Rb Zeeland-West-Brabant 24/3051, 24/4930 en 24/3068)
5.1. (…) Zij voegt daaraan nog het volgende toe. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet vanwege de rechtszekerheid een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is, ook niet in samenhang met de andere planregels, dan komt betekenis toe aan andere vormen van uitleg (vergelijk onder andere de uitspraak van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:735). Zoals de rechtbank heeft geoordeeld, valt de tijdelijke opslag van gezaagd hout, afkomstig van datzelfde perceel, onder het in artikel 10.1 van de planregels voor gronden met de bestemming "Bos" toegestane gebruik voor houtproductie met bijbehorende voorzieningen. Anderzijds valt de tijdelijke opslag van gezaagd hout ogenschijnlijk onder het in artikel 10.5.1, aanhef en onder b, van de planregels verboden gebruik van gronden voor opslag van materialen en producten. Gelet op deze spanning moeten deze planregels in onderlinge samenhang worden uitgelegd. Daarbij heeft de rechtbank zich, in de context van de bestemming "Bos", terecht op het standpunt gesteld dat de tijdelijke opslag van gezaagd hout dat afkomstig is van het perceel niet onder het gebruiksverbod van artikel 10.5.1, aanhef en onder b, van de planregels valt. [appellant] heeft verder niet onderbouwd waarom dit, vanwege de omstandigheid dat deze begrippen in meerdere planregels voorkomen, tot strijd met de rechtszekerheid zou leiden. Het betoog slaagt niet.

* ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4746: Awb, Gmw; exploitatievergunning en vergunning uitoefening horecabedrijf, gemeentelijke verordening, Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer, bekendmaking besluit, gebruik Zivver, kenbaar maken, impliciet en expliciet, bestendige e-mailpraktijk, langs elektronische weg bereikbaar, notificatiebericht, Zivver-account, inlogcodes, Zivver-inbox, gebruikelijke wijze aangeboden, verschoonbaarheid termijnoverschrijding, vermoeden niet ontzenuwd, vakantieperiode (Rb Midden-Nederland 23/4801)
12. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan het kenbaar maken in de zin van artikel 2:14 van de Awb zowel impliciet als expliciet geschieden (zie onder meer de uitspraak van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:810 en de uitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2886). Een bestendige e-mailpraktijk tussen het bestuursorgaan en de geadresseerde maakt dat ervan mag worden uitgegaan dat iemand langs die elektronische weg bereikbaar is (zie onder meer de uitspraak van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2744 en de uitspraak van 17 juli 2024).
13. De burgemeester heeft op 13 december 2022 de vergunningen met gebruik van Zivver verzonden aan [appellante] (met een ontvangen notificatiebericht), voordat de advocaat betrokken was bij de zaak. Het bezwaarschrift van de advocaat is mede per e-mail ingediend. Verder is er tijdens de bezwaarprocedure meerdere keren per e-mail contact geweest tussen de advocaat van [appellante] en de burgemeester over het bezwaar en een mogelijke schikking. Deze e-mailwisseling vond plaats met het individuele e-mailadres van de advocaat van [appellante]. De Afdeling wijst er verder op dat de advocaat in het beroepschrift aan de rechtbank heeft opgenomen dat hij een Zivver-account heeft en dat uit het door hem verstrekte overzicht van per sms ontvangen inlogcodes voor Zivver ook blijkt dat hij in de periode vóór 27 juli 2023 regelmatig gebruik heeft gemaakt van zijn account. Hij heeft nadien naar aanleiding van een ander notificatiebericht van 22 september 2023 ingelogd op zijn Zivver-account. Voor zover namens [appellante] in hoger beroep is gesteld dat de advocaat geen gebruik maakte van Zivver, is dat betoog dus niet goed te begrijpen.
14. Verder heeft de burgemeester met het afschrift van het bericht van 27 juli 2023 aangetoond dat het besluit met gebruik van het programma Zivver is verzonden aan de advocaat van [appellante]. Het staat ook vast dat de advocaat het bericht heeft ontvangen in de inbox van zijn Zivver-account (Zivver-inbox). Van het met gebruik van Zivver verzonden bericht gaat automatisch een notificatiebericht per e-mail uit naar het individuele e-mailadres van de advocaat. Gelet op het voorgaande mocht de burgemeester er vanuit gaan dat het besluit via Zivver op de gebruikelijke wijze is aangeboden met een notificatiebericht per e-mail. De verzending van het besluit met gebruik van Zivver, waarvan per e-mail een notificatiebericht uitgaat, wijkt dus niet af van de bestendige e-mailpraktijk met het individuele e-mailadres van de advocaat. De burgemeester was daarom niet verplicht om (aparte) toestemming van de advocaat te verkrijgen om het besluit met gebruik van Zivver te mogen verzenden.
15. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat sprake was van een bestendige e-mailpraktijk en dat de verzending van het besluit met gebruik van Zivver daarmee in overeenstemming is. Het besluit op bezwaar is dus op de juiste wijze bekendgemaakt op 27 juli 2023. Dat betekent dat sprake is van een termijnoverschrijding van het beroep. (…)

* College van Beroep voor het bedrijfsleven 11 augustus 2026, ECLI:NL:CBB:2026:370: Awb, Wgb; toelating gewasbeschermingsmiddel, bloembol- en knolgewassen, prejudiciële vragen, arrest HvJEU, bestreden besluit, wetenschappelijke en technische kennis, hormoonontregelende eigenschappen, fludioxonil, gezondheid mens, voorschriften, gewasbeschermingsverordening, goedkeuring Europese Commissie, risicobeoordelingen, EFSA, zuiver automatische tenuitvoerlegging goedkeuring werkzame stof, verwaarloosbare blootstelling, gesloten systemen, contact met mensen, niet-doelwit organismen, respijttermijnen
6.6 Het College oordeelt als volgt. Het is aan het Ctgb om op grond van artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening te beoordelen of Pitcher voldoet aan de daar geformuleerde eisen voor toelating. Eén van die eisen is dat het gewasbeschermingsmiddel op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis voldoet aan de eisen van artikel 4, derde lid, van die verordening, waar in onderdeel b is bepaald dat een gewasbeschermingsmiddel – kort gezegd – geen schadelijk effect heeft op de gezondheid van mens of dier. Daarbij moet het Ctgb ook de in punt 3.6.5 van bijlage II vermelde criteria betrekken, zo volgt uit het in 6.2 genoemde arrest van het Hof. Dat, zoals door het Ctgb is opgemerkt, punt 3.6.5 van bijlage II ziet op de goedkeuring van een werkzame stof door de Commissie maakt niet dat het Ctgb niet zelfstandig moet beoordelen of het gewasbeschermingsmiddel Pitcher, met fludioxonil als werkzame stof, voldoet aan de criteria van punt 3.6.5 van bijlage II. Uit het onder 6.2 vermelde arrest van het Hof volgt immers dat de toelating van een gewasbeschermingsmiddel door een nationale lidstaat niet kan worden aangemerkt als een zuiver automatische tenuitvoerlegging van de goedkeuring van de werkzame stof in dat middel door de Commissie.
6.7 Het College is van oordeel dat het Ctgb, na in het bestreden besluit te hebben vastgesteld dat fludioxonil hormoonontregelende eigenschappen heeft die schadelijk kunnen zijn voor de mens, had moeten beoordelen of sprake is van verwaarloosbare blootstelling aan fludioxonil in het middel Pitcher, zoals beschreven in punt 3.6.5 van bijlage II. Zonder die beoordeling wordt niet voldaan aan de eis van artikel 4, derde lid, aanhef en onder b, van de gewasbeschermingsverordening. Anders dan Adama en het Ctgb hebben gesteld, heeft het Ctgb dan ook niet de keuzemogelijkheid om, in afwachting van een beoordeling door de Europese Commissie, Pitcher toe te laten. Niet in geschil is dat het Ctgb deze beoordeling van de verwaarloosbare blootstelling in het bestreden besluit niet heeft gedaan. Op de zitting heeft het Ctgb desgevraagd te kennen gegeven dat als naar het oordeel van het College de beoordeling van de verwaarloosbare blootstelling wel zou moeten worden gedaan, dit leidt tot de conclusie dat Pitcher niet kan worden toegelaten. De reden daarvoor is dat Pitcher niet wordt gebruikt in gesloten systemen of in andere omstandigheden die contact met mensen uitsluiten.
6.8 De conclusie is dat Pitcher niet voldoet aan de eis van artikel 4, derde lid, aanhef en onder b, van de gewasbeschermingsverordening, omdat fludioxonil een hormoonverstorende werking heeft die schadelijk is voor de mens en er bij het gebruik van Pitcher geen sprake is van verwaarloosbare blootstelling. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. (…)
8.2 Pitcher is naar aanleiding van het toelatingsbesluit op de Nederlandse markt gebracht en wordt in de praktijk als gewasbeschermingsmiddel gebruikt. Als het College het toelatingsbesluit zou herroepen, dan is het gebruik van Pitcher met ingang van de datum van deze uitspraak in Nederland niet meer toegestaan. Het College kan niet overzien wat de gevolgen hiervan voor de sector zijn. Het College zal daarom het Ctgb de opdracht geven om binnen drie maanden een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen die er, met inachtneming van respijttermijnen naar analogie van artikel 46 van de gewasbeschermingsverordening, toe moet leiden dat Pitcher niet wordt toegelaten, dat de bestaande voorraden uit de handel worden genomen en worden verwijderd, en dat het middel niet langer wordt gebruikt en opgeslagen. Omdat de conclusie is dat Pitcher niet toegelaten had mogen worden, dienen deze termijnen zo kort mogelijk te zijn.

* Rechtbank Oost-Brabant 7 augustus 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5624: Awb, Wabo, Gmw; omgevingsvergunning, hotel, restaurant/niet-hotelgasten, exploitatievergunning, buitenterras, toepasselijk recht, openbare orde/niet omgevingsplan, overgangsrecht Omgevingswet, APV, geluid, akoestisch onderzoek, beoordelingsruimte, aanvaardbaar woon- en leefklimaat, geluidbelasting gevel, grenswaarden omgevingsplan, VNG-brochure, etmaalwaarde 50 dB(A), kanttekening modelberekeningen, geluidreflectie, binnenplaats, rekenmodellen, representatieve bedrijfssituatie, langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, monitoren, beoordeling later uitvoeren, ministeriële regelgever, bijlage IVh Omgevingsregeling, meervoudige reflecties, stemverheffing, gemengd gebied, woon- en leefklimaat, toetsing aan bpl/omgevingsplan, beperkingen voorschriften, algehele schorsing/onevenredige gevolgen, treffen voorziening
4.2. De Omgevingswet is niet van toepassing op de exploitatievergunning. Deze vergunning gaat namelijk over de openbare orde. Regels over openbare orde komen niet in het omgevingsplan en vallen dus ook niet onder het overgangsrecht van de Omgevingswet. Voor de exploitatievergunning gelden de regels zoals neergelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Meierijstad.
10.3. Het college heeft beoordelingsruimte bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft voor de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het pand van de buren bij een verruimd gebruik van het buitenterras aansluiting mogen zoeken bij de grenswaarden die het Activiteitenbesluit milieubeheer (onder het oude recht) hanteerde voor de geluidsbelasting op de gevel van de buren, welke grenswaarden nu in het omgevingsplan staan. Daarnaast mocht het college voor de bredere afweging van een goed woon- en leefklimaat aansluiting mogen zoeken bij de handreiking “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (de VNG-handreiking) te volgen. Volgens deze handreiking wordt in een geval als dit – gemengd gebied – voldaan aan de eis van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de omvang van de geluidbelasting op de gevel van een geluidsgevoelig object niet groter is dan de etmaalwaarde van 50 dB(A).
10.8. De rechtbank maakt uit de analyse van de ODBN het volgende op. In de kern komt deze nadere analyse erop neer dat het akoestisch onderzoek van Aelmans van 8 december 2023 op een essentieel punt, namelijk de vele te verwachten geluidsreflecties ter plaatse, geen recht doet aan de feitelijke situatie op de binnenplaats. Mede daardoor – de ODBN sluit andere verklaringen niet uit – treden er waarschijnlijk, anders dan het onderzoek van Aelmans veronderstelt, overschrijdingen van de geluidsgrenswaarden op. Het college heeft de nadere analyse niet weersproken. Sterker nog: het college geeft met zoveel woorden toe dat er onduidelijkheid bestaat over de geluidsbelasting, maar heeft ertoe besloten om die onduidelijkheid voorlopig te aanvaarden en de situatie te monitoren. Het college miskent daarmee dat het vóórdat het een omgevingsvergunning verleent dient te beoordelen of de met de te verlenen vergunning gemoeide ruimtelijke uitstraling aanvaardbaar is. Het stond het college niet vrij om deze beoordeling later uit te voeren. Door te beslissen zoals het college heeft gedaan, heeft het zich er niet van vergewist of de aangevraagde activiteit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De beroepsgrond slaagt dus in zoverre.
10.8.1. Ter informatie merkt de rechtbank op dat er ten tijde van de aanvraag geen voorgeschreven meetmethode bestond voor het berekenen van de impact van meervoudige reflecties. De Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, waar onder het oude recht doorgaans mee werd gewerkt, bepaalt niets hierover. De ministeriële regelgever heeft dit onderkend en heeft in de meetmethode die onder het nieuwe recht is voorgeschreven in Bijlage IVh van de Omgevingsregeling wél voorschriften opgenomen over meervoudige reflecties.
10.9. De beroepsgrond slaagt ook voor zover de buren aanvoeren dat in de representatieve bedrijfssituatie wel degelijk met stemverheffing wordt gesproken. Volgens de vergunninghouder zitten de tafelgasten immers niet alleen aan ‘tweetjes’ en ‘viertjes’, maar komen er ook groepen dineren. In groepen wordt doorgaans juist wel met stemverheffing gesproken. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het desondanks ervan uitgaat dat de uitgangspunten van het rapport van Aelmans juist zijn. (…)
10.10. Voor wat betreft de door de buren opgeworpen grond dat de aanvraag niet voldoet aan de etmaalwaarde van 50 dB(A), geldt het volgende. Het akoestisch onderzoek van Aelmans van 8 december 2023 komt tot de conclusie dat de etmaalwaarde ter hoogte van de gevel op de begane grond 49 dB(A) bedraagt. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen over het al of niet voldoen aan de grenswaarden van het activiteitenbesluit, is het aannemelijk dat ook de etmaalwaarde op de gevel hoger uitvalt dan de veronderstelde 49 dB(A) en daarom vermoedelijk 50 dB(A) of hoger. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van het college om ofwel te motiveren waarom het toch niet aannemelijk is dat er sprake zal zijn van een overschrijding van deze 50 dB(A), ofwel waarom het de te verwachten hogere geluidsbelasting in de tuin desalniettemin aanvaardbaar acht. Bij het nemen van een nieuw besluit ligt het in dit verband overigens op de weg van het college om nadrukkelijk aandacht te besteden aan het feit dat de binnenplaats, afgezien van de restaurantexploitatie, volgens de ODNB erg stil is. Het college dient te motiveren of het zich achter deze observatie schaart en zo ja, waarom het desondanks geen aanleiding ziet voor een correctie op het uitgangspunt dat sprake is van gemengd gebied en dus van een lager te hanteren etmaalgrenswaarde.
13.3. De Afdeling heeft over een APV-bepaling met dezelfde formulering geoordeeld dat de strekking hiervan is dat een weigering van een exploitatievergunning op deze grond alleen aan de orde is als de exploitatie van een inrichting in strijd is met een bestemmingsplan, niet de inrichting als geheel (zie de uitspraak van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5580). Dat betekent dat de toetsing van de exploitatievergunning aan het bestemmingsplan beperkt is tot de vraag of de desbetreffende activiteit in overeenstemming is met de activiteit die ter plaatse door het bestemmingsplan (tegenwoordig het omgevingsplan) wordt toegestaan. Dit houdt in dat de burgemeester moet toetsen of de bestemmingsomschrijving/doeleindenomschrijving van de geldende bestemming en de daarbij behorende categorie horeca-aanduidingen de exploitatie van de openbare inrichting toestaat. Een verdergaande toetsing aan het bestemmingsplan is bij verlening van een exploitatievergunning dus niet aan de orde. De burgemeester hoeft daarom niet te toetsen of de exploitatie in overeenstemming is met de overige planregels, zoals artikel 22.63 van het omgevingsplan. Die beoordeling is op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (tegenwoordig de Omgevingswet) voorbehouden aan het college van burgemeester en wethouders. In zoverre slaagt de beroepsgrond niet.
20.2. De inzet van deze procedure is voor de buren hoofdzakelijk om de geluidsoverlast van het buitenterras tegen te gaan. De omgevingsvergunning heeft echter een bredere gelding. Zij ziet op het kunnen ontvangen van niet-hotelgasten in het restaurant en het restaurant wordt ook inpandig geëxploiteerd. Een algehele schorsing van de omgevingsvergunning zou volgens de rechtbank onevenredige gevolgen hebben voor de vergunninghoudster. De rechtbank zal daarom een voorziening treffen die het gebruik van specifiek het buitenterras door niet-hotelgasten verbiedt. De reden daarvoor is dat de rechtbank het niet goed mogelijk vindt om andere voorzieningen te formuleren waarvan voldoende zeker is dat deze (voorlopig) leiden tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierbij is mede van belang dat eventuele voorzieningen alleen betrekking kunnen hebben op niet-hotelgasten en niet – zoals de buren hebben gesuggereerd – ook op de hotelgasten. De omgevingsvergunning waarmee de restaurantexploitatie voor hotelgasten mogelijk is gemaakt, is immers onherroepelijk en ligt ook overigens niet in deze zaak voor.

* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4959: BW; kort geding, besluit gemeenteraad, aanwijzing kavel gemeenteraad, AZC, asielzoekers, Didam-regels, nog geen aanvraag/Omgevingswet, Spreidingswet, ontvankelijkheid, bestuursrechtelijk gekleurd geschil, bestuursrechtelijk handelen, restrechter, voldoende rechtsbescherming, bewaken taakverdeling, geen publiekrechtelijk rechtsgevolg, geen bestuursrechtelijke rechtsgang, Omgevingswet, omgevingsplan, participatie, participatieverordening, Wet versterking participatie op decentraal niveau, vormvrij, grondbeleid, handelen niet onrechtmatig, bekrachtiging vonnis (Rb Overijssel 342626)
6.4 Het tweede punt betreft de vraag of in dit vooral bestuursrechtelijke gekleurde geschil over de juistheid van toch vooral het bestuursrechtelijk handelen van de Gemeente voor de civiele rechter als restrechter een taak is weggelegd. Het antwoord daarop is afhankelijk van de omstandigheid of als dan niet een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat, waarin de rechtmatigheid van dat handelen kan worden getoetst en waarbij in spoedeisende gevallen de eisende partij een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken (vaste jurisprudentie, zie onder meer HR 28 februari 1992, ECLI:NL:1992:ZC0527). Is een dergelijke procedure die voldoende rechtsbescherming biedt bij de bestuursrechter voorhanden, dan moet daarvan ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen van de civiele rechter en de bestuursrechter over eenzelfde kwestie gebruik gemaakt worden en is voor de civiele rechter geen taak weggelegd. Het bewaken van de taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter wordt ook ingegeven door het belang dat het zo veel mogelijk de gespecialiseerde (bestuurs)rechter moet zijn die de zaken behandelt en beoordeelt waarop juist die expertise ziet.
6.5 Partijen zijn het erover eens dat het raadsbesluit niet bij de bestuursrechter kan worden aangevochten omdat het geen publiekrechtelijk rechtsgevolg heeft en daarmee geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (awb). Ook anderszins staat geen bestuursrechtelijke rechtsgang open waarin de Stichting kan bewerkstelligen dat alsnog op korte termijn het door haar voorgestane participatietraject moet worden doorlopen. De Stichting heeft verder tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat haar vordering tot het staken van de voorbereidingshandelingen ook ziet op het privaatrechtelijk handelen van de Gemeente om als eigenaar van kavel Z7 (erfpacht)overeenkomsten met het COA te sluiten teneinde op dat kavel het AZC te kunnen realiseren.
6.9 Op kavel Z7 rust ingevolge het bestemmingsplan Stadshagen II de bestemming Gemengd-1, waaronder ook maatschappelijke voorzieningen vallen. Een AZC is, naar tussen partijen niet in geschil is, een maatschappelijke voorziening. Het bestemmingsplan is na de inwerkingtreding van de Omgevingswet opgegaan in het tijdelijke omgevingsplan. Volgens de Gemeente kan het AZC gerealiseerd worden met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (een ‘OPA’) en is daarvoor geen vrijstelling van de regels van het omgevingsplan (een buitenplanse Omgevingsplanactiviteit, afgekort als ‘BOPA’) nodig. De Stichting heeft weliswaar gesteld dat zij niet uitsluit dat toch een BOPA nodig zal zijn, maar zij heeft dit niet met argumenten gestaafd. Het hof gaat er dan ook voorshands van uit dat het COA voor wat betreft de Omgevingswet kan volstaan met een OPA. Ook onder de Omgevingswet is, net als onder de voorgangers van die wet, het niet hebben doorlopen van een participatietraject, geen weigeringsgrond voor een OPA. De Gemeente moet de vergunning verlenen als die voldoet aan de voorwaarden die het omgevingsplan stelt. De Gemeente heeft in zoverre gelijk dat participatie (dan wel – voorheen – inspraak) geacht wordt te hebben plaatsgevonden in het traject tot vaststelling van het bestemmingsplan. Het hof merkt wel op dat dit argument een hoog theoretisch gehalte heeft omdat de aan het perceel gegeven bestemming Gemengd-1 een erg algemene aanduiding is, waarbij weinigen het idee hebben gehad dat daaronder de oprichting van een AZC zou vallen.
6.11 Toch is het hof het eens met de Gemeente dat HANZA! in dit geval niet behoefde te worden toegepast. De status van HANZA! is onduidelijk. Bij oppervlakkige lezing lijkt HANZA! van toepassing te zijn op elk initiatief dat binnen de Gemeente wordt ontplooid, ook op het gebied van ruimtelijke ordening, waarbij bij wijze van spreken voor elke dakkapel stadsbrede inspraak zou moeten worden georganiseerd. In de toelichting op HANZA! staat echter al dat HANZA! niet bedoeld is als een rigide stappenplan. Daarin staat verder weliswaar dat HANZA! ook bedoeld is voor participatiebeleid voor processen die onder de Omgevingswet vallen, maar welke processen precies is daarin niet aangeduid. De Gemeente heeft aangevoerd dat HANZA! de (flexibele) spelregels bevat voor de inrichting van een participatieproces, maar dat de het toepassingsbereik - dus de aanwijzing van de processen waarbij participatie verplicht is - zal worden geregeld in de Participatieverordening die de Gemeente nog niet heeft vastgesteld. Die verordening moet zij, ingevolge de Wet versterking participatie op decentraal niveau, uiterlijk 1 januari 2027 hebben vastgesteld. De Gemeente kan in die verordening bepalen op welke procedures uit de Omgevingswet de participatie overeenkomstig de Participatieverordening wordt voorgeschreven, maar de Gemeente is daarin niet geheel vrij, omdat zij voor een OPA geen regels voor de participatie mag vaststellen. Bij een OPA kan weliswaar de aanvrager aangeven of participatie heeft plaatsgevonden, maar die vrijwillige participatie is voor de aanvrager vormvrij zodat de Gemeente daarvoor geen regels kan opstellen. Vergelijk de toelichting op de modelparticipatieverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, te vinden op vng.nl onder Model Participatieverordening 2024 | VNG (https://vng.nl/brieven/model-participatieverordening-2024). Het hof volgt de Gemeente dan ook dat HANZA! niet zo kan worden uitgelegd dat daarin een verplichting is opgenomen die in strijd is met het systeem van de Omgevingswet. Het aloude limitatief-imperatieve stelsel zoals nu te vinden in artikel 5.21 lid 2 van de Omgevingswet en artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Zie ook paragraaf 2.2.1.2 van Memorie van toelichting op de Invoeringswet Omgevingswet, Kamerstuk 34986 nr. 3.

* Rechtbank Noord-Nederland 4 augustus 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3255: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsverzoek, lelieteelt, Natura 2000, gewasbeschermingsmiddelen, procesbelang, relativiteitsvereiste, één en hetzelfde project, wijziging toepasselijke regelgeving, bestemmingsplan, PAS-arrest, procestaal, vergunningplicht
10. Ten aanzien van de vraag of sprake is één en hetzelfde project waarvoor geen vergunning is vereist, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat het college in dit kader verschillende begrippen lijkt te hanteren, maar de rechtbank begrijpt dat het college zich op het standpunt stelt dat sprake is van één en hetzelfde project waarvoor geen vergunning is vereist.
10.1. Het Hof heeft in punt 86 van het PAS-arrest van 7 november 2018, overwogen dat een activiteit kan worden aangemerkt als één en hetzelfde project waarvoor geen nieuwe beoordeling nodig is op grond van artikel 6, derde lid, van de Hrl “mits het daarbij gaat om één enkele verrichting die zich kenmerkt door een gemeenschappelijk doel, continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgevoerd” (ECLI:EU:C:2018:882).
10.1.1. In punt 35 van het AquaPri-arrest van 10 november 2022 heeft het Hof over de ongewijzigde voortzetting van een natuurvergunde activiteit overwogen: "Wanneer een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een beschermd gebied, reeds in de projectfase is vergund, kan de voortzetting van die activiteit echter slechts worden aangemerkt als een nieuw of afzonderlijk project waarvoor krachtens artikel 6, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 92/43 een nieuwe beoordeling moet worden verricht, indien er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit - met name gelet op de aard van deze activiteiten alsook op de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd - geen continuïteit en identiteit bestaat" (ECLI:EU:C:2022:864).
10.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet inzichtelijk gemaakt en onderbouwd dat het project (lelieteelt op de percelen) voldoet aan de voorwaarden die het Hof stelt om een project aan te merken als één en hetzelfde project waarvoor geen nieuwe toestemmingsprocedure behoeft te worden doorlopen. Alleen al het feit dat sprake is van wisselteelt, waarbij de specifieke teelt waar het hier om gaat steeds voor een aantal jaren wordt gestaakt of wordt afgewisseld met ander agrarisch gebruik, wijst erop dat geen sprake is van één en hetzelfde project. Verder acht de rechtbank van belang dat niet wordt betwist dat bij lelieteelt gebruik wordt gemaakt van wisselende gewasbeschermingsmiddelen in wisselende hoeveelheden.
10.3. Verder is niet in geschil dat de toepasselijke regelgeving is gewijzigd. Vast staat dat er in 2012 een bestemmingsplanwijziging heeft plaatsgevonden waardoor in het bestemmingsplan een zogenaamde zwarte lijst is opgenomen ten aanzien van het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen. Het gebruik van die middelen is daarmee niet toegestaan. Verder golden dat er in verschillende perioden verschillende toegelaten middelen en toepassingsvoorwaarden. Dat blijkt ook uit een mail van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden van 30 juni 2023 aan een medewerker van het college. Die mail is als bijlage bij het verweerschrift van 28 februari 2024 in het geding gebracht. Aangezien de toepasselijke regelgeving is gewijzigd, zijn daarmee naar het oordeel van de rechtbank ook de voorwaarden waaronder de lelieteelt plaatsvindt gewijzigd. Daarmee is geen sprake van één en hetzelfde project. In dit verband wijst de rechtbank op de PAS-uitspraak van de Afdeling waaruit volgt dat dat wijzigingen in algemene regels, die strekken tot een aanpassing van de toe te passen methoden en technieken, direct leiden tot een feitelijke wijziging van de manier waarop de activiteit (bemesten) wordt uitgevoerd (uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604). Die wijziging moet worden geduid als de wijziging van een project.
10.3.1. De rechtbank volgt het college evenmin in haar standpunt dat het oordeel van de rechtbank in haar uitspraak van 6 maart 2025 over het begrip één en hetzelfde project is gebaseerd op een onjuiste lezing van het PAS-arrest van het Hof. De rechtbank overweegt daartoe eerst dat de procestaal in de PAS-zaak van het Hof Nederlands is. De in het PAS-arrest gehanteerde term ‘volledige overeenstemming’ verschilt naar het oordeel van de rechtbank ook niet van de Franse vertaling van dit arrest waarin de term ‘identité’ wordt gebruikt. De verwijzing naar de Engelse en Duitse vertaling geeft evenmin aanleiding om daarover anders te oordelen. De term verschilt evenmin van de bewoordingen die in (de Nederlandse vertaling van) het AquaPri-arrest worden gehanteerd, zijnde ‘identiteit’. Immers, aan de woorden ‘identiteit’ en ‘volledige overeenstemming’ komt volgens de Van Dale dezelfde betekenis toe.
10.3.2. De stelling van het college, dat de wijzigingen in de regelgeving ertoe hebben geleid dat sprake is van minder belasting op het Natura 2000-gebied doet, wat er ook van zij, aan het voorgaande niet af, nu daar geen onderzoek naar is gedaan.
10.4. De rechtbank is verder van oordeel dat het college zijn standpunt, dat reeds op de referentiedatum op de betreffende percelen sprake was van agrarisch gebruik, behoudens een verwijzing naar het geldende planologische kader van de percelen, niet heeft onderbouwd.
11. Gelet op het voorgaande heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van één en hetzelfde project waarvoor de vergunningplicht van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb, niet geldt. Het college heeft daarom niet op die grond kunnen afzien van handhaving. In wat het college in het bestreden besluit en het (aanvullend) verweerschrift heeft aangevoerd, ziet de rechtbank daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit toch voldoende deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep slaagt daarom.

Rechtbank Oost-Brabant 4 augustus 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5551: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bopa, kleinschalig begeleid wonen, belanghebbende, statutaire doelstelling, spoedeisend belang, geen onomkeerbare gevolgen, mogelijke impact huisvesting, belang voorlopig rechtmatigheidsoordeel, Bkl, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, beleidsregels, bestemmingsplan, Brp, legaal kamergewijs bewoond, doelgroep, participatie, Wet bibob, Besluit bouwwerken leefomgeving
28. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat uit de omgevingsvergunning duidelijk blijkt welke doelgroep in het pand zal worden gehuisvest, te weten jongeren die begeleid wonen. Het verbinden van een voorwaarde aan de omgevingsvergunning, inhoudende welke leeftijdscategorie in het pand gehuisvest mag worden, voor zover verzoekster dit al heeft beoogd, is in beginsel niet mogelijk, omdat uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het algemeen niet van belang is wie de woning bewoont. Dat kan alleen in bijzondere gevallen om redenen van situering van woningen anders zijn. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:704. Het is aan het college om bij de heroverweging in bezwaar te beoordelen of hiertoe aanleiding bestaat. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Rechtbank Midden-Nederland 30 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5150: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa, woningbouw en wijzigen uitweg, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, welstandsadvies, concrete aanknopingspunten voor twijfel, geen tegenadvies, summier onderbouwd, instructieregels omgevingsplan, relativiteitsvereiste, bescherming waterbelangen, belang omwonenden/geen wateroverlast, wadi, waterhuishoudkundige situatie, belangenafweging, stedenbouw, verkeer, privacy, lichthinder, geluid, cumulatie, warmtepompen, wegverkeer, standaardwaarde gemeentelijke wegen, Besluit kwaliteit leefomgeving, geluid appartementencomplex omgevingsplan
3.9. Op de beoordeling van een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn de instructieregels voor het omgevingsplan van overeenkomstige toepassing. Eén van die instructieregels is dat rekening wordt gehouden met de gevolgen van het bouwplan voor het beheer van watersystemen en dat, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die systemen wordt betrokken. Het college doet een beroep op het relativiteitsvereiste. Op grond van het relativiteitsvereiste kan eiser geen succesvol beroep doen op een rechtsregel als die niet is geschreven om zijn belangen te beschermen (artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht). De instructieregel waar eiser zich op beroept is opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit hoofdstuk bevat instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat impliceert dat de instructieregel niet alleen strekt tot bescherming van waterbelangen, maar ook tot het belang van omwonenden om geen wateroverlast te ondervinden. Eiser heeft zich dus op deze bepaling kunnen beroepen.
3.10. Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het bouwplan geen belangen van het waterschap raakt, omdat zich binnen het plangebied geen watergangen bevinden. Aan de voorzijde van het complex aan de [straat 3] wordt de oppervlakte aan verharding verminderd en een wadi toegevoegd, waardoor de waterhuishoudkundige situatie zelfs verbetert. Met deze toelichting van het college en omdat eiser verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een problematiek van wateroverlast in het gebied, is de rechtbank van oordeel dat voldoende rekening is gehouden met de gevolgen voor de watersystemen als bedoeld in de instructieregel. Omdat de waterhuishoudkundige situatie verbetert, is de rechtbank met het college van oordeel dat er geen aanleiding bestond om advies aan het waterschap te vragen. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
3.18. Naar aanleiding van de contra-expertise heeft het college [deskundige 2] ( [deskundige 2] ) gevraagd om een reactie. Dit is de opsteller van het bij de omgevingsvergunning behorende akoestisch rapport van 29 november 2024. Volgens [deskundige 2] bedraagt het gecumuleerd geluid van alle warmtepompen maximaal 32 dB(A) etmaalwaarde op bestaande woningen in de omgeving en dat van alle geluidbronnen (verkeer en warmtepompen) maximaal 53 dB(A). Hiermee wordt de standaardwaarde, zoals deze alleen al geldt voor gemeentewegen en nieuwe woningen niet overschreden. De bijdrage van alle warmtepompen op het gecumuleerde geluid is volgens [deskundige 2] zeer gering.
3.20. Naar de rechtbank begrijpt vreest eiser voor een toename van geluid door de warmtepompen op het dak in combinatie met het reeds aanwezige wegverkeersgeluid. Naar de rechtbank begrijpt is deze geluidscumulatie volgens eiser reden tot weigering van de omgevingsvergunning, omdat sprake zou zijn van onaanvaardbare hinder voor de omgeving. De rechtbank gaat daar niet in mee. De rechtbank overweegt dat uit het rapport van [deskundige 2] volgt dat het geluid vanwege alle bronnen (wegverkeer en warmtepompen) maximaal 53 dB(A) bedraagt en dus binnen de standaardwaarde voor gemeentelijke wegen blijft als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook heeft [deskundige 2] berekend dat het gecumuleerd geluid van alle warmtepompen maximaal 32 dB(A) etmaalwaarde op bestaande woningen in de omgeving bedraagt. Het gecumuleerd geluid van alle warmtepompen valt daarmee onder de norm van 50 dB(A) voor het geluid van het appartementencomplex als bedoeld in het omgevingsplan (artikel 22.63 van het omgevingsplan). Dat betekent dat de afwijking van het omgevingsplan in zoverre geen betrekking heeft op het gecumuleerd geluid. Omdat het gecumuleerd geluid binnen de norm blijft, slaagt de beroepsgrond niet.

Rechtbank Rotterdam 28 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:9870: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, schutting, omgevingsplan, bpl, tuinbestemming, Vangnetregeling Omgevingswet, vergunningvrij, erf- of perceelafscheiding, begrip "voorkant", voorgevelrooilijn, feitelijke situatie, niet vergunningvrij, evenredigheid, Harderwijk-uitspraak, concreet zicht op legalisatie, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel, invordering, afwijzing verzoek
12. Artikel 22.27, onder f, luidt:
“Het verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken geldt niet indien deze activiteiten betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  1. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
  2. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
  3. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.”

Artikel 2.1b, tweede lid, van de Vangnetregeling Omgevingswet luidt:

“In aanvulling op artikel 22.27, onder f, onder 3°, van de bruidsschat wordt onder de lijn, bedoeld in dat onderdeel, verstaan: de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.”
13. Het bouwen van een erf- of perceelafscheiding is op grond van het ter plaatse geldende omgevingsplan een vergunningsplichtige activiteit, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 22.27, onder f, van de planregels. Aan de eerste twee voorwaarden wordt in dit geval voldaan. Tussen partijen is in geschil of aan onderdeel 3 is voldaan. Met andere woorden: heeft verzoeker zijn erfafscheiding gebouwd achter de lijn die loopt langs de voorkant van het hoofdgebouw (de woning) en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen?
13.1. Daarvoor is ten eerste van belang wat onder de voorkant van het hoofdgebouw moet worden verstaan. In bijlage II bij artikel 1.1, tweede lid, van de regels van het omgevingsplan is geen beschrijving opgenomen van wat onder het begrip “voorkant” moet worden verstaan. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om aansluiting te zoeken bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1725), kan het achtererfgebied worden bepaald door vast te stellen wat de voorgevel van het hoofdgebouw is. Indien er discussie ontstaat over de vraag welke gevel de voorgevel is, moet primair worden afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn zoals die in het bestemmingsplan of de bouwverordening is aangegeven, zoals artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor bepaalt. Als ook dan nog twijfel bestaat, zal de feitelijke situatie doorslaggevend zijn voor de vraag waar zich de voorgevel bevindt.
13.2. In het van toepassing zijnde tijdelijk deel van het omgevingsplan is geen “voorgevelrooilijn” aangegeven. Dit betekent dat de feitelijke situatie doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag waar zich de voorgevel van de woning van verzoeker bevindt. De voorzieningenrechter zoekt evenals het college aansluiting bij het begrip voorgevel in artikel 1.88 van de planregels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op grond hiervan is de voorgevel de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of “uitstraling” als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. Op zitting is duidelijk geworden dat partijen het in zoverre met elkaar eens zijn dat dit de zuidelijke korte kant van de woning is waarvan rechts de ontsluiting van het perceel is gelegen. De voorzieningenrechter vindt ook dat deze gevel als de voorgevel en dus de voorkant van de woning moet worden aangemerkt, ook al zit in die gevel in dit geval niet de voordeur. Het is wel de gevel aan de zijde waar het perceel is ontsloten op de openbare weg.
13.3. Vervolgens is van belang wat de lijn is die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen. Het college heeft hiervoor verwezen naar de toelichting bij de Bruidsschat en Vangnetregeling (artikel 7.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet in samenhang met bijlage I en Stb. 2020, 400 en Stcrt 2024, 17658, p. 8). Hieruit volgt volgens de voorzieningenrechter dat de lijn bij bijvoorbeeld hoekwoningen, zoals in dit geval, eerst langs de voorgevel van de woning loopt en vervolgens langs de zijgevel mee de hoek om loopt naar achteren. Dit betekent anders dan verzoeker betoogt hier niet dat die lijn vanaf de voorgevel verder doorgetrokken wordt tot aan de perceelsgrens voor zover die grenst aan openbaar gebied en dan evenwijdig loopt aan de perceelsgrens, verder naar achteren.

14. Voorgaande leidt tot de conclusie dat de schutting die aan de westzijde van het perceel is gelegen niet vergunningvrij is. Dit betekent dat er sprake is van een overtreding, namelijk het zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwen van een erf- of perceelafscheiding (artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow). Het college is dus bevoegd om daartegen handhavend op te treden.

* Rechtbank Noord-Holland 27 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:9197: Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, ontvankelijkheid, belang bescherming milieu, beoordelingsruimte, treinbewegingen, emplacement, doorgaand treinverkeer, dienstnummer, kopstations, wetgeving, milieubelastende activiteit, akoestisch onderzoek, tussenuitspraak
7.3 De jurisprudentie van de Raad van State over ‘doorgaand treinverkeer’ houdt een verdeling in van treinbewegingen die wel en niet als onderdeel van een inrichting die fungeert als spoorwegemplacement, kunnen worden aangemerkt. Alleen de treinbewegingen die verband houden met het in werking zijn van de inrichting (het emplacement) als zodanig, moeten als onderdeel van de inrichting worden beschouwd. Het doorgaande treinverkeer, dat op zichzelf beschouwd los staat van het in werking zijn van het emplacement, behoort niet tot de inrichting. Op de milieugevolgen van dit laatstbedoelde treinverkeer zijn de voor de inrichting geldende regels niet van toepassing, maar de voor de spoorweg als zodanig geldende regels. In aanvulling op de in voetnoot 2 genoemde jurisprudentie verwijst de rechtbank ook naar de uitspraken van de Raad van State van 27 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW9553) en 27 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2117).
7.4. Het college heeft in het licht van deze uitleg van het begrip inrichting het treinverkeer dat het emplacement op- en afrijdt ten onrechte als doorgaand, niet tot de inrichting behorend treinverkeer aangemerkt. In het akoestisch onderzoek is dit dan ook ten onrechte als uitgangspunt aangenomen en is al het geluid dat hiermee samenhangt ten onrechte niet in de beoordeling van de milieugevolgen van de inrichting betrokken. Hierbij is van belang dat de sporen van het emplacement slechts aan één zijde zijn ontsloten en geen aansluiting hebben op het doorgaande spoor. De treinbewegingen vinden plaats op niet voor doorgaand treinverkeer bestemde sporen en op sporen die uitsluitend voor het gebruik van de inrichting bestemd zijn. Al het treinverkeer dat het emplacement op- en afrijdt, komt met het specifieke doel om activiteiten, die onderdeel uitmaken van de inrichting, te laten plaatsvinden. Daarom moeten in dit geval alle treinbewegingen die binnen de grenzen van de inrichting plaatsvinden als onderdeel van de inrichting worden beschouwd. Dat een trein onder een dienstnummer het emplacement op- en afrijdt, acht de rechtbank in dit kader niet doorslaggevend. Ter zitting is immers aangegeven dat iedere rijdende trein een dienstnummer heeft, zodat het toekennen van een dergelijk nummer niet aangeeft dat (op het emplacement) sprake is van doorgaand treinverkeer. De verwijzing van de vergunninghoudster naar kopstations waar treinverkeer op emplacementen tot het doorgaande treinverkeer worden gerekend, is in het licht van het criterium dat in de jurisprudentie is neergelegd, geen reden voor een ander oordeel. Die situatie komt immers niet overeen met onderhavige situatie, waar daadwerkelijk sprake is van treinbewegingen op een zijspoor, dat als onderdeel van de inrichting moet worden aangemerkt. Overigens heeft de vergunningshoudster er ter zitting op gewezen dat binnenkort in de wetgeving het treinverkeer van en naar het emplacement ook uitdrukkelijk tot dezelfde milieubelastende activiteit wordt gerekend.* Rechtbank Midden-Nederland 23 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4700: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, zonnepark, trafohuisjes en inkoopstation, beroepsgronden na beroepstermijn, verschoonbaar, kennisgeving, niet vermelden Chw van toepassing, ontvankelijkheid, Varkens in nood-jurisprudentie, relativiteitsvereiste, procedurele normen, statutaire doelstelling, feitelijke werkzaamheden, juridische procedures, stichting in oprichting, natuurlijke personen, directe woon- en leefomgeving, participatie, verklaring van geen bedenkingen, aanvraagformulier, tijdelijkheid zonnepark, ruimtelijke aanvaardbaarheid, locatiekeuze, NOVI, zonneladder, subsidieregeling, RES, MER-beoordeling, landinrichtingsproject, geluid, natuur, stikstof, bouwverordening, privaatrechtelijke belemmering/evident karakter, uitvoerbaarheid, tussenuitspraak
19. De Stichting heeft een zienswijze ingediend. Gelet op de rechtspraak zoals beschreven in overweging 17 van deze uitspraak kan de Stichting daardoor deelnemen aan deze procedure, in beginsel ook wanneer zij als niet-belanghebbende zou moeten worden gezien. Dit laat echter onverlet dat de bestuursrechter een besluit niet kan vernietigen wegens strijd met een rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dit volgt uit artikel 8:69a van de Awb. Dit is het relativiteitsvereiste. De rechtbank acht het daarom opportuun om, voordat zij overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van de Stichting, vast te stellen of de rechtsregels waar de Stichting zich op beroept, ook bedoeld zijn voor de bescherming van haar statutaire doelstellingen. De rechtbank beoordeelt met andere woorden of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van de Stichting. Daarbij overweegt de rechtbank dat bij de toepassing van het relativiteitsvereiste aan de procedurele normen over het recht op inspraak een zelfstandige betekenis toekomt. Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606.
20. De rechtbank overweegt dat de beroepsgronden van de Stichting voor het overgrote deel zien op de inhoud van de besluitvorming en niet op het recht op inspraak. De rechtbank moet daarom beoordelen welke belangen de Stichting volgens haar statutaire doelstellingen in het bijzonder behartigt. In het kader van het relativiteitsvereiste wordt naast de statutaire doelstelling mede van belang geacht of een belangenorganisatie enige feitelijke werkzaamheden heeft verricht die invulling geven aan één of meer van de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt. Dit betekent dat een belangenorganisatie niet kan opkomen voor de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt als zij in het geheel geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht. Zie de uitspraak van de Afdeling 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2061.
21. Uit vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2116) van de Afdeling volgt dat bij de beoordeling van de feitelijke werkzaamheden in beginsel moet worden uitgegaan van de feitelijke werkzaamheden die een belangenorganisatie heeft verricht tot uiterlijk de dag voor het einde van de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld. Daarbij geldt dat aan de werkzaamheden verricht in het jaar vóór het instellen van beroep het meeste gewicht toekomt, maar dat ook werkzaamheden langer dan een jaar geleden van belang kunnen zijn.
22. Bij de beoordeling van de feitelijke werkzaamheden is verder van belang dat het enkel voeren van juridische procedures tegen besluiten niet kan worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Ook werkzaamheden die hiermee verband houden, zoals het indienen van zienswijzen, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures, zijn geen feitelijke werkzaamheden. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1835.
26. Door de Stichting is betoogd dat de periode tussen de oprichting en het einde van de termijn voor het indienen van zienswijzen, 5 december 2024, zo kort is, dat ook de werkzaamheden die zijn uitgevoerd tijdens de oprichtingsfase van de Stichting moeten worden betrokken bij de beoordeling. Hierbij heeft de Stichting gewezen op een uitspraak van de Rechtbank Limburg van 16 oktober 2023 (ECLI:NL:RBLIM:2023:6467, overweging 8).
27. De rechtbank volgt de Stichting daarin niet. Afgezien van de uitspraak van de rechtbank Limburg, zijn er in de rechtspraak geen andere aanknopingspunten om werkzaamheden die door een Stichting in oprichting zijn verricht te betrekken bij de beoordeling van de feitelijke werkzaamheden in het kader van het relativiteitsvereiste. Dit betekent dat de rechtbank voor de toetsing aan het relativiteitsvereiste zal kijken naar de feitelijke werkzaamheden die door de Stichting zijn verricht in de periode vanaf haar oprichting op 17 oktober 2024 tot aan het einde van de beroepstermijn op 5 december 2024. Deze periode is niet dusdanig kort dat daarin geen relevante feitelijke werkzaamheden ontplooid hadden kunnen worden.
28. De rechtbank oordeelt dat uit de overgelegde stukken en uit de toelichting ter zitting niet is gebleken van feitelijke werkzaamheden in de periode tussen de formele oprichting van de Stichting en het einde van de beroepstermijn. Overigens is in de periode na 5 december 2024 evenmin sprake is geweest van feitelijke werkzaamheden van de Stichting die geen verband houden met procederen.
29. Uit het voorgaande volgt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de inhoudelijke beoordeling van de materiële beroepsgronden van de Stichting. De Stichting heeft in de relevante periode geen feitelijke werkzaamheden verricht die niet uitsluitend zien op procederen, om op te komen voor de doelstelling die zij volgens haar statuten behartigt. Dit betekent dat de rechtbank de beroepsgronden van de Stichting niet inhoudelijk zal beoordelen, tenzij de beroepsgronden zijn gericht op het recht op inspraak. Als sprake is van een beroepsgrond van de Stichting die ziet op het recht op inspraak, zal de rechtbank dat expliciet in deze uitspraak vermelden.
53. Uit het IPvE volgt dat de gebiedsontwikkeling [buurtschap] ziet op een groter gebied met meer ontwikkelingen dan uitsluitend het realiseren van het zonnepark. Het plangebied van het zonnepark valt binnen de gebiedsontwikkeling [buurtschap] .De omgevingsvergunning die in deze zaak ter beoordeling voorligt ziet uitsluitend op het zonnepark. Het college moet gelet op het toetsingskader in de omgevingsvergunning en de daarbij behorende stukken onderbouwen dat het zonnepark ruimtelijk aanvaardbaar is. In dat kader is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Daarin is onder andere beschreven hoe het zonnepark landschappelijk kan worden ingepast, bijvoorbeeld door het zonnepark te omranden met watergangen met natuurvriendelijke oevers. De ruimtelijke onderbouwing maakt echter niet expliciet onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Daarentegen maakt het IPvE wel rechtstreeks onderdeel uit van de omgevingsvergunning door in de voorschriften van de omgevingsvergunning op te nemen dat, op onderdelen, moet worden voldaan aan het IPvE.
54. Naar het oordeel van de rechtbank is het college er onvoldoende in geslaagd om te motiveren dat het zonnepark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Doordat het IPvE onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning wordt geïmpliceerd dat de gebiedsontwikkeling [buurtschap] nodig is voor een goede ruimtelijke inpassing van het zonnepark. Het college heeft op de zitting toegelicht dat sommige onderdelen van het IPvE wel, en sommige onderdelen niet van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft echter niet kunnen specificeren welke onderdelen uit het IPvE het van belang acht voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het zonnepark. Daarmee heeft het college onvoldoende deugdelijk gemotiveerd of het realiseren van het zonnepark ook op zichzelf ruimtelijk aanvaardbaar is en welke voorwaarden het college aan het zonnepark stelt om te kunnen voldoen aan de goede ruimtelijke ordening.
55. De rechtbank oordeelt verder dat het college de voorwaarden die worden gesteld aan de ruimtelijke inpassing van het zonnepark, onvoldoende publiekrechtelijk heeft geborgd. Doordat het IPvE onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning worden aan vergunninghoudster voorwaarden opgelegd over de gebiedsontwikkeling [buurtschap] die zij niet kan uitvoeren. Het IPvE ziet immers ook op het realiseren van nieuwe natuur en recreatiemogelijkheden. Deze ontwikkelingen zijn voorgenomen in een gebied dat niet in eigendom is van vergunninghoudster en die bovendien niet door haar kunnen worden uitgevoerd. Tijdens de zitting is gebleken dat de gronden rondom het zonnepark in eigendom zijn bij Vereniging Natuurmonumenten (hierna: Natuurmonumenten) en dat dit gedeeltelijk openbaar gebied is. Het college, en niet vergunninghoudster, is verantwoordelijk voor de openbare ruimte en het voorzien in recreatiemogelijkheden en natuur. De uit het IPvE volgende voorwaarden worden vervolgens nader uitgewerkt in privaatrechtelijke overeenkomsten met de grondeigenaren. Dit heeft tot gevolg dat niet alle voorwaarden die in de omgevingsvergunning worden gesteld in het kader van een goede ruimtelijke inpassing van het zonnepark ook publiekrechtelijk zijn geborgd.
61. De rechtbank volgt eisers daarin niet en overweegt dat de NOVI een Omgevingsvisie is van het Rijk die de langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving in Nederland beschrijft. De NOVI is zelfbindend. Dit betekent dat de NOVI uitsluitend bindend is voor het bestuursorgaan dat het heeft opgesteld, in dit geval het Rijk. Lagere bestuursorganen, zoals het college, zijn niet gebonden aan de NOVI, maar moeten uitsluitend bij het opstellen van hun gemeentelijke omgevingsvisie rekening houden met de nationale belangen en richtlijnen uit de NOVI. Gelet hierop is het college niet gehouden om de omgevingsvergunning aan de NOVI te toetsen. De beroepsgrond slaagt niet.
74. De rechtbank vult de rechtsgronden aan en heeft tijdens de zitting met partijen gesproken over de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2016:2734). Daaruit volgt, voor zover hier van belang, dat een zonnepark, onder omstandigheden, ook aangemerkt kan worden als landinrichtingsproject zoals bedoeld in onderdeel D9 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat het zonnepark geen landinrichtingsproject is omdat het geen oppervlakte heeft van 125 hectare of meer. Het college heeft zich tijdens de zitting aanvullend op het standpunt gesteld dat de ontwikkeling in deze zaak niet te vergelijken is met de situatie die aan de orde was in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling. In die uitspraak was sprake van uitgebreide aanpassingen aan de natuur, daarnaast was sprake van een grote oppervlakte en werd een hekwerk geplaatst en een bosareaal verwijderd. Deze situatie is volgens het college niet vergelijkbaar met de omvang van het zonnepark in deze zaak.
75. De rechtbank stelt in lijn met de hiervoor besproken rechtspraak van de Afdeling vast dat een zonnepark, onder omstandigheden, kan worden aangemerkt als een landinrichtingsproject zoals bedoeld in onderdeel D9 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De rechtbank kan bij de huidige stand van zaken nog geen oordeel geven of de door het college gegeven motivering deugdelijk is. Daarbij speelt een belangrijke rol dat het college bij zijn motivering niet heeft betrokken dat het zonnepark in deze zaak onderdeel uitmaakt van de gebiedsontwikkeling [buurtschap] met omvangrijke plannen voor de ontwikkeling van natuur en recreatie in dit gebied. Daarover heeft de rechtbank in overweging 54 van deze uitspraak geoordeeld dat onvoldoende duidelijk is of alleen het zonnepark of ook de gebiedsontwikkeling [buurtschap] nodig is om het zonnepark ruimtelijk aanvaardbaar te achten. De rechtbank stelt vast dat het college bij beoordeling van de vraag of hier sprake is van een landinrichtingsproject, uitsluitend de omvang en uitstraling van het zonnepark heeft beetrokken. De rechtbank stelt het college in de gelegenheid om het geconstateerde gebrek in zijn motivering dat voor het zonnepark geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is, te herstellen. Afhankelijk van de nadere motivering van het college over de ruimtelijke inpassing, speelt ook de vraag of in deze zaak al dan niet sprake is van een landinrichtingsproject opnieuw een rol. Gelet hierop stelt de rechtbank het college in de gelegenheid om in zijn nadere motivering te betrekken of volgens het college, afhankelijk van de omvang van het project, al dan niet sprake is van een landinrichtingsproject.

Rechtbank Gelderland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5513: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, ontwikkeling bedrijventerrein, uitvoering bpl, Besluit activiteiten leefomgeving, das, inheemse soort, flora- en fauna-activiteit, Flora- en faunawet/jurisprudentie, uitzonderingen, essentieel foerageergebied, functionaliteit burcht, compensatie, leefgebied, dassenpopulatie
5. De das is een beschermde inheemse soort, zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, aanhef en onder b van het Bal samen bepalen, ten aanzien van de das, dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit:
- de das opzettelijk te doden of te vangen, en;
- de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de das opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
5.1. Uit vaste rechtspraak volgt dat foerageergebieden in beginsel niet worden beschermd via het soortenbeschermingsregime van de Wnb (oud) (ECLI:NL:RVS:2021:1457), zoals ook al het geval was onder het daarvoor geldende regime van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). Deze jurisprudentie is ook onder de Omgevingswet nog van toepassing. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling over artikel 11 van de Ffw, op grond waarvan het verboden was om voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde dieren te vernielen of te verstoren, golden op dit uitgangspunt twee uitzonderingen.
5.2. De eerste uitzondering betreft gevallen waarbij een foerageergebied samenvalt met een vaste voortplantings- of rustplaats.
5.3. De tweede uitzondering betreft gevallen waarbij essentiële foerageergebieden die niet samenvallen met een vaste voortplantings- of rustplaats zodanig worden aangetast dat daardoor de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de betrokken diersoort wordt aangetast. Onder een essentieel foerageergebied wordt daarbij verstaan: een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantings- of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen.
7.2. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten onvoldoende deugdelijk en verifieerbaar hebben gemotiveerd dat het verlies van essentieel foerageergebied niet zal leiden tot aantasting van de functionaliteit van de burcht en dat daarom ten tijde van de afwijzing van het handhavingsverzoek geen sprake zou zijn van een overtreding van artikel 11.54, eerste lid, onder b, van het Bal. Gedeputeerde staten stellen dat geen sprake is van zodanig verlies van essentieel foerageergebied dat dit leidt tot aantasting van de functionaliteit van de dassenburcht. In de beslissing op bezwaar is gemotiveerd dat voldoende foerageergebied aanwezig is en zal worden gecompenseerd. De rechtbank acht echter onvoldoende deugdelijk gemotiveerd hoeveel essentieel foerageergebied precies verloren is gegaan, hoeveel hiervoor is gecompenseerd en waarom gedeputeerde staten menen dat dit niet zou leiden tot aantasting van de dassenburcht. (…)

* Rechtbank Limburg 8 juli 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6585: BW; eigenaar garage, recht plaatsen zonnepanelen, onrechtmatige hinder, maatregelen, schitteringsrapport, metingen, lichthinder, hoor en wederhoor, substantiële aantasting woongenot, descente, aanpassen of verwijderen PV-installatie, voornaamste energievoorziening, gasloze woning, verplaatsen, kantelen, alternatieven, afwijzing vorderingen
4.3. [eisende partij] heeft zijn stelling dat de zonnepanelen op het garagedak van [gedaagde partijen] onrechtmatige hinder veroorzaken onderbouwd met een schitteringsrapport, een rapport metingen lichthinder en reacties van de opstellers van die rapporten op de conclusie van antwoord. Ten aanzien van het rapport metingen lichthinder stellen [gedaagde partijen] zich op het standpunt dat geen sprake is geweest van een objectief of onafhankelijk onderzoek. Indien een op verzoek van een partij of op gezamenlijk verzoek van partijen uitgebracht deskundigenrapport in het geding is gebracht, is het aan de rechter om te beoordelen welke waarde daaraan moet worden toegekend (art. 152 lid 2 Rv). Gelet hierop staat het de rechter ook vrij om bij zijn beoordeling van het geschil een dergelijk rapport tot uitgangspunt te nemen, ook als in het partijdebat bezwaren zijn geuit tegen de wijze van totstandkoming of de inhoud daarvan (Hoge Raad 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3654). Hoewel het rapport metingen lichthinder op eenzijdig verzoek van [eisende partij] en niet na een gezamenlijke opdracht of met medeweten van [gedaagde partijen] tot stand is gekomen, kan naar het oordeel van de kantonrechter wel acht worden geslagen op de inhoud daarvan voor de beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder. Het rapport is inzichtelijk en is gebaseerd op objectieve gegevens. De deskundige heeft voorts gereageerd op de vragen en opmerkingen van [gedaagde partijen] in de conclusie van antwoord waardoor het beginsel van hoor en wederhoor is gewaarborgd.
4.4. Uit voornoemde rapporten blijkt dat er tijdens mooi weer in de periode april tot september tussen 11:30 uur en 14:00 uur sprake is van schittering die te zien is in de tuin en op het terras van [eisende partij] en dat er in de periode april/mei tot augustus/september op drie observatiepunten gelegen op het terras van [eisende partij] rond het middaguur gedurende ongeveer anderhalf uur schittering is te zien. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat in beginsel sprake is van onrechtmatige hinder. Het woongenot van [eisende partij] wordt namelijk substantieel aangetast, ook al zal in die periode niet elke dag de schittering zo hevig te zien zijn. Daaraan kan niet af doen dat gedurende enige tijd sprake is van indirecte schittering omdat volgens de opsteller van het schitteringsrapport beide soorten schittering vergelijkbaar intensief zijn. Hetzelfde geldt voor of het zonnescherm van [eisende partij] wel of niet is uitgeklapt, omdat de kantonrechter tijdens de descente heeft vastgesteld dat er zicht is op de zonnepanelen – en dus ook op de schittering – zittend in een stoel op het terras terwijl het zonnescherm is uitgeklapt. De vraag of de lichtsterkte van de schittering de toegestane waarden voor lichthinder te boven gaat, behoeft geen beoordeling omdat de kantonrechter in dit geval de duur van de schittering, het moment waarop de schittering zich voordoet en waar de schittering te zien is al voldoende vindt voor het oordeel dat in beginsel sprake is van onrechtmatige hinder.
4.5. De vordering van [eisende partij] om de PV-installatie aan te passen of te verwijderen wordt echter toch afgewezen gelet op de belangen die [gedaagde partijen] hebben bij het behoud van de PV-installatie zoals deze thans is. De zonnepanelen zijn de voornaamste energievoorziening van de gasloze woning van [gedaagde partijen] en zij maken het hele jaar door gebruik daarvan. Dat weegt naar het oordeel van de kantonrechter niet op tegen de hinder die door de zonnepanelen wordt veroorzaakt gedurende enkele uren per dag in de periode april tot september.
4.6. Ook weegt de kantonrechter mee dat het niet mogelijk is om alle achttien zonnepanelen te verplaatsen naar een andere plek waar zij dezelfde opbrengst genereren. Op de andere kant van het dak van de garage zijn namelijk al twaalf zonnepanelen geplaatst, waarmee de hele oppervlakte van dat deel van het garagedak is benut. Ook kunnen niet alle achttien zonnepanelen op het dak van de woning van [gedaagde partijen] worden gelegd omdat het een heel smal en een heel klein dak betreft. Bovendien bevindt het meest linkse dak – vanaf de straatzijde bezien – zich in de schaduw van het huis ernaast. Daarbij komt dat [gedaagde partijen] onweersproken hebben gesteld dat in het geval de zonnepanelen zouden worden verplaatst naar het hoofddak van de woning een extra omvormer nodig is en dat een groot deel van de dakpannen moeten worden vernieuwd. Ook hebben partijen het alternatief verkend van een anti-schitteringscoating en om de zonnepanelen dertig graden te kantelen. Beide behoren niet tot de mogelijkheden respectievelijk omdat [gedaagde partijen] onweersproken hebben gesteld dat de producent van de zonnepanelen heeft laten weten dat de garantie direct vervalt bij het aanbrengen van een coating van een derde partij en omdat de gemeente in reactie op het conceptverzoek van [gedaagde partijen] te kennen heeft gegeven dat zij in principe hieraan geen medewerking zal verlenen. Zolang het plan van [gedaagde partijen] niet wijzigt, ligt het niet in de lijn van verwachting dat de gemeente positief reageert op de definitieve aanvraag. Alternatieven waarmee de PV-installatie op zichzelf niet wordt aangepast, maar waarmee wel (deels) wordt voorkomen dat [eisende partij] hinder ondervindt van de schittering zijn ook verkend door partijen. Leibomen of een andere voorziening op het perceel van [eisende partij] , wil [eisende partij] niet omdat hem dat een groot deel van zijn tuin zou kosten, en plaatsing van een verticaal zonnescherm op het perceel van [gedaagde partijen] of zonwering over de zonnepanelen is niet uitvoerbaar.
4.7. Dat het esthetisch belang (uitzicht) van [eisende partij] en de woningwaarde volgens [eisende partij] nadelig worden beïnvloed, kan er niet toe leiden dat de belangenafweging in het voordeel van [eisende partij] uitvalt. Met betrekking tot het uitzicht gaat het om een subjectief oordeel van [eisende partij] zelf en heeft te gelden dat zonnepanelen in Nederland inmiddels een gebruikelijk deel zijn van de bebouwde omgeving. Ten aanzien van de woningwaarde heeft [eisende partij] zijn stelling niet onderbouwd.

* Rechtbank Oost-Brabant 8 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5283: BW; gewasbeschermingsmiddelen, lelieteelt, vordering, verklaring voor recht/onrechtmatig handelen, aansprakelijkheid geleden schade, verlenen medewerking/vestiging erfdienstbaarheid, bevoegdheid rechtbank, Europese Verordening Gewasbeschermingsmiddelen, Ctgb, toelating/bestuursrechtelijk besluit, Wgb, geen rechtsbescherming, burgerlijke rechter, Handvest, restrechter, ontvankelijkheid, voorzorgsbeginsel/geen zelfstandige grondslag, gevaarzetting, schadevoorkomingsplicht, algemene zorgvuldigheidsnorm, Kelderluikfactoren, wetenschappelijke onzekerheid, voorzorgsmaatregelen, voorzorgsverplichting, plausibel vermoeden, RIVM-rapport, neurotoxisch, bijzondere zorgplicht, inwinnen deskundigenbericht, tussenuitspraak
4.21. De vraag die ter beantwoording voorligt, is of [gedaagde] een onrechtmatige daad pleegt jegens [eisers] indien hij in hun nabijheid lelies gaat of laat telen en daarbij de voorgenomen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt in de daarvoor benodigde omvang.
4.22. De rechtbank begrijpt de vorderingen van [eisers] zo dat zij met een verwijzing naar het leerstuk gevaarzetting een beroep doen op een schadevoorkomingsplicht van [gedaagde] als gebruiker van gewasbestrijdingsmiddelen. De schadevoorkomingsplicht is een toepassing van de algemene zorgvuldigheidsnorm in het leerstuk van gevaarzetting. De maatschappelijke zorgvuldigheid eist dat [eisers] niet blootgesteld worden aan een groter gevaar dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord is. Dit betekent dat het gevaar, afhankelijk van de omstandigheden, moet worden weggenomen, althans tot maatschappelijk aanvaardbare proporties moet worden teruggebracht, door het treffen van adequate voorzorgsmaatregelen.
4.23. Bij de schadevoorkomingsplicht gaat het niet om een absolute waarborg voor de bescherming van in dit geval [eisers] , maar gaat het om de verplichting van [gedaagde] om die maatregelen te treffen die, mede afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, redelijkerwijs nodig zijn om schade als gevolg van het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen te voorkomen.
4.24. De omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van een schadevoorkomingsplicht zijn ontleend aan Hoge Raad 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik). Deze Kelderluikfactoren zijn toegespitst op buitencontractuele gevaarzettingssituaties. De volgende omstandigheden zijn in deze zaak van belang:
1. de aard en omvang van de schade als gevolg van blootstelling aan gewasbestrijdingsmiddelen;
2. de bekendheid en voorzienbaarheid van deze schade;
3. de kans dat de schade zich daadwerkelijk verwezenlijkt;
4. de aard van de gedraging van [gedaagde] ;
5. de bezwaarlijkheid om (effectieve) voorzorgsmaatregelen te treffen;
6. de belangen die zijn gediend met de gedragingen van [gedaagde] .
4.25. Het hiervoor al genoemde voorzorgsbeginsel komt er - kort gezegd - op neer dat de omstandigheid dat wetenschappelijke onzekerheid bestaat over het bestaan, de omvang en oorzaken van een risico dat zich pas over langere tijd zal (kunnen) verwezenlijken en/of de effectiviteit van de tegen dit risico te treffen voorzorgsmaatregelen, de potentiële veroorzaker van schade niet zonder meer ontslaat van haar verplichting om voorzorgsmaatregelen te treffen (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006).
4.26. Het gaat bij onzekere risico’s dus veelal om gevaren waarvan wetenschappelijk onzeker is of ze bestaan en wanneer, waar en in welke exacte omvang dat gevaar zich zal verwezenlijken. De verplichting om zorg te dragen voor de belangen van een ander is niet gefundeerd op de aard en mate van (on)zekerheid over een risico, maar op de mogelijkheid van gevaar dat zich voordoet in een bepaald geval. Daarbij geldt op grond van vaste jurisprudentie dat bij een kleine kans op ernstige schade al een verplichting tot het treffen van voorzorgsmaatregelen kan bestaan (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3290 en Hoge Raad 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8782). Het creëren of in stand laten van een onzeker risicovolle situatie kan op basis van het ongeschreven recht onrechtmatig zijn. Het feit dat er in de wetenschap onzekerheid bestaat over het bestaan, de aard of ernst van een risico, sluit dan ook niet uit dat men naar maatstaven van maatschappelijke zorgvuldigheid dient te anticiperen op dat risico (een voorzorgverplichting). Over het bestaan van een risico is namelijk geen absolute of een verregaande mate van zekerheid noodzakelijk, voordat van een actor kan worden vereist dat hij voorzorgsmaatregelen neemt ter beheersing of ter afwending van een risico. Indien er op grond van de bestaande kennis en inzichten vermoedens zijn dat er een verband bestaat tussen een blootstelling en het mogelijke intreden van negatieve gezondheidseffecten, kan een verplichting tot handelen bestaan.
4.27. De vraag is vervolgens welke mate van zekerheid over het bestaan van een risico vereist is, voordat een verplichting tot het nemen van voorzorgsmaatregelen kan ontstaan. De rechtbank hanteert hierbij de maatstaf van een (natuur)wetenschappelijk gefundeerd plausibel vermoeden over het bestaan van een gevaar, waarbij een plausibel vermoeden dient te worden begrepen als een (natuur)wetenschappelijk gefundeerde uitspraak over het bestaan van een risico die (natuur)wetenschappers dusdanig serieus nemen dat men het vermoeden rechtens niet mag negeren.
4.37. Gelet op het voorgaande kan niet worden uitgegaan van de premisse dat de toegelaten middelen voldoen aan het vereiste van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens. Meer concreet mag [gedaagde] er niet zonder meer op vertrouwen dat er met de door/namens hem te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen geen reëel gevaar voor gezondheidsschade bestaat. In dit verband is van belang dat in het domein van toelatingen voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen het voorzorgsbeginsel ervoor kan zorgen dat al toegestane gewasbeschermingsmiddelen niet (meer) kunnen worden gebruikt (zie Hof van Justitie EU 25 april 2024, ECLI:EU:C:2024:356, r.o. 97-99). Nu er geen, althans onvoldoende, onderzoek is gedaan naar de hiervoor genoemde neurotoxische effecten/ziekten, waarbij ook de mate van blootstelling moet worden betrokken, doet aan voormeld oordeel niet af dat [gedaagde] - zoals hij aanvoert - verschillende voorzorgsmaatregelen laat nemen c.q. zal laten nemen. Uit het RIVM-rapport uit 2019 volgt dat omwonenden ook in dat geval worden blootgesteld aan middelen.
4.38. De rechtbank stelt - samengevat en gelet op wat hiervoor is overwogen - vast dat i) sprake is van verhoogde concentraties gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving van sierteeltvelden, ii) sprake is van hiaten in de risicobeoordeling voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen, iii) meerdere experts zorgen uiten over de met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gemoeide gezondheidsrisico’s, iv) het RIVM deze zorgen onderschrijft, v) het RIVM de relatie tussen blootstelling aan chemische stoffen (inclusief gewasbeschermingsmiddelen) en neurodegeneratieve aandoeningen plausibel acht en v) sprake is van bovengemiddeld intensief gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen in de sierteelt, waaronder lelieteelt. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat de vermoedens over het bestaan van gezondheidsrisico’s voldoende plausibel zijn.
4.39. Ter zitting heeft [gedaagde] nog opgemerkt dat recent door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur vragen zijn gesteld aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2025/26, 27 858, nr. 735). Uit deze brief volgt dat Wageningen University & Research (WUR) en het RIVM is gevraagd om een verkennende studie uit te voeren naar spuitzonering vanuit een wetenschappelijk perspectief, waarin de haalbaarheid van nieuwe of bestaande modellen voor het onderbouwen van het blootstellingsrisico in relatie tot spuitzonering wordt onderzocht. Uit deze brief blijkt volgens [gedaagde] dat op dit moment nog onduidelijk is óf en in hoeverre er gezondheidsrisico’s zijn verbonden aan blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet, waarbij wordt verwezen naar wat hiervoor is overwogen. Vastgesteld is dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat de vermoedens over het bestaan van gezondheidsrisico’s voldoende plausibel zijn. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze brief nu juist dat de Nederlandse overheid - gezien het feit dat de omgang met onzekere risico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de beleidsagenda staat - eveneens de mogelijke (milieu- en) gezondheidsrisico’s én de noodzaak tot handelen onderkent. [gedaagde] gaat er met zijn enkele stelling bovendien aan voorbij dat de omstandigheid dat wetenschappelijke onzekerheid bestaat over het bestaan, de omvang en oorzaken van een risico dat zich pas over langere tijd zal (kunnen) verwezenlijken, de potentiële veroorzaker van schade niet zonder meer ontslaat van zijn verplichting om voorzorgsmaatregelen te treffen.
4.40. Gelet op de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] een bijzondere zorgplicht heeft jegens de in de directe nabijheid van zijn teeltlocatie wonende omwonenden (in dit geval [eisers] die op het aangrenzende perceel woont op minder dan 100 meter) en dat hij die schendt en voorshands een onrechtmatige daad pleegt indien hij toch lelies gaat (laten) kweken met gebruikmaking van de in deze zaak genoemde gewasbeschermingsmiddelen in de omvang die noodzakelijk is voor lelieteelt. Het mag zo zijn dat telers (in dit geval [gedaagde] ) een commercieel belang hebben bij de lelieteelt, maar het belang van omwonenden (in dit geval [eisers] ) om gevrijwaard te blijven van potentiële (ernstige) schade aan de gezondheid weegt zwaarder dan het economische belang van [gedaagde] .
4.41. Die bijzondere zorgplicht c.q. verhoogde zorgvuldigheidsnorm brengt voor van [gedaagde] in de omstandigheden van het geval mee dat hij voorzorgs- c.q. veiligheidsmaatregelen treft ter voorkoming van gezondheidsschade bij [eisers] Om vast te kunnen stellen wat in dit geval de geëigende door [gedaagde] te nemen voorzorgs- c.q. veiligheidsmaatregelen concreet zijn, althans dienen te zijn, is van belang dat de rechtbank wordt geïnformeerd over de huidige beschikbare wetenschappelijke kennis over de relatie tussen blootstelling aan - de in deze zaak aan de orde zijnde - gewasbeschermingsmiddelen en neurodegeneratieve aandoeningen en/of overige aandoeningen. De door [eisers] in het geding gebrachte rapporten zijn al enkele jaren oud, zijn slechts een selectie uit de beschikbare wetenschappelijke informatie en er is - in de wetenschap, maar ook van overheidswege - in toenemende mate aandacht voor en onderzoek gedaan naar voormeld verband. Gelet op het voorgaande en voor de verdere beoordeling acht de rechtbank het dan ook aangewezen om op dit punt een deskundigenbericht in te winnen.

Rechtbank Den Haag 2 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20356: Awb, Ow; niet tijdig nemen besluit, handhavingsverzoek, Kaderrichtlijn water (KRW), maatregelenprogramma's, stroomgebiedsbeheerplannen, Omgevingsbesluit, reactie verzoek, mededeling, rechtsgevolg, aanwezigheid en reikwijdte veronderstelde bevoegdheid, geen enkele bevoegdheid, ruime reikwijdte handhavingsbevoegdheid, besluit genomen, niet-ontvankelijk, beroepschrift/doorsturen als bezwaarschrift
4.2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze reactie van het college op het handhavingsverzoek van eiseres een besluit is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt namelijk dat een mededeling van een bestuursorgaan dat het in een bepaald geval niet bevoegd is het door verzoeker gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen in beginsel moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Een dergelijke mededeling houdt in ieder geval een oordeel in over de aanwezigheid en de reikwijdte van de door verzoeker veronderstelde bevoegdheid. Indien echter aan het bestuursorgaan waaraan het verzoek is gericht, geen enkele bevoegdheid is toegekend in het kader van de uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft en het ook geen bemoeienis heeft met de aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering en handhaving van deze wettelijke regeling, is geen sprake van een besluit (Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP9590)).
4.3. Naar het oordeel van de rechtbank is de e-mail van 22 december 2025 een besluit, inhoudende dat de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden zich niet uitstrekt tot het handhavingsverzoek van eiseres. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.5. Uit artikel 18.2, vijfde lid, van de Ow volgt dat het college het bevoegd gezag is bij overtreding van bij of krachtens de Ow gestelde regels, tenzij sprake is van een geval dat is vermeld in de eerste vier leden. Naar het oordeel van de rechtbank kan de door eiseres gestelde strijd met de hiervoor vermelde artikelen van de KRW en het Ob niet worden begrepen onder de eerste vier leden van artikel 18.2, vijfde lid, van de Ow. In aanmerking genomen de ruime reikwijdte van de handhavingsbevoegdheid in artikel 18.2, vijfde lid, van de Ow, kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet gezegd worden dat aan het college geen enkele handhavingsbevoegdheid is toegekend met betrekking tot overtreding van de hiervoor bedoelde bepalingen van KRW en het Ob, dan wel dat het geen enkele bemoeienis heeft met aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering en handhaving van deze bepalingen.

* Rechtbank Limburg 2 juli 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6893: Awb, Wnb; ontheffing, woningbouw, dassenburcht, kunstburcht, belanghebbende, objectief, persoonlijk, eigen en actueel belang, direct grenzen aan perceel, verboden handeling, gevolgen, besluitonderdelen, ruimtelijke besluiten, onjuiste rechtsopvatting
4.1. Om in het bestuursrecht als belanghebbende te worden aangemerkt, moet iemand een voldoende objectief, persoonlijk, eigen en actueel belang hebben, dat bovendien rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3413.
4.2. Eisers voldoen aan dit criterium. Vaststaat dat de kunstburcht direct grens aan de percelen van eisers. Het college heeft toegelicht dat voor de vraag of eisers dan als belanghebbenden aangemerkt kunnen worden, gekeken moet worden naar de verboden handeling, en dus niet—zoals hier het geval—de gevolgen, althans de voorschriften bij de ontheffing. De rechtbank volgt deze redenering niet, gelet op een uitspraak van de Afdeling uit 2020 (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2091, rov 9.3). Hieruit volgt namelijk dat een ontheffing die krachtens de Wnb is verleend geen besluitonderdelen kent. Dit betekent dat voor de beantwoording van de vraag of iemand wel of geen belanghebbende is bij een verleende ontheffing, ook de daaraan verbonden voorschriften en de daarin voorgeschreven maatregelen betrokken moeten worden. Iemand kan niet voor een deel wel en voor aan ander deel geen belanghebbende zijn bij een dergelijke ontheffing. Omdat de voorschriften bij de onderhavige ontheffing de kunstburcht hebben doen ontstaan, en deze op het voor eisers aangrenzende perceel staat, kunnen eisers dus aangemerkt worden als belanghebbenden in de zin van de Awb. Dan geldt namelijk het uitgangspunt volgens vaste jurisprudentie, dat ten aanzien van ruimtelijke besluiten de enkele omstandigheid dat iemand eigenaar of bewoner van het naastgelegen perceel is, voldoende is om diegene als belanghebbende aan te merken. Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:779.

* Rechtbank Limburg 26 juni 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6156: Awb; handhaving, dwangsom, loods/zelfstandige woning, geen omgevingsvergunning, BRP, overtreding, concreet zich op legalisatie, geen bereidheid verlenen vergunning, vertrouwensbeginsel, welbewuste standpuntbepaling, evenredigheid, vervangende woonruimte zoeken, financiële problemen, begunstigingstermijnen, passende regeling, treffen voorlopige voorziening, verbeuren dwangsom, schuldsanering, rust en stabiliteit, huidige woningmarkt, aantoonbaar en actief inspannen, actief meedenken en hulp bieden college
9. Hoewel er geen sprake is van een bijzondere situatie die aanleiding geeft om van handhaving af te zien, heeft de rechtbank wel oog voor de vraag of voor dit gezin alsnog een passende regeling kan worden getroffen. Daarop gaat de rechtbank hierna in. De rechtbank ziet aanleiding om ambtshalve een voorlopige voorziening (dit staat in artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) te treffen inhoudende dat de begunstigingstermijn eenmalig wordt verlengd. Tijdens de zitting is naar voren gebracht dat eiser bij het verbeuren van de dwangsom mogelijk opnieuw in de schuldsanering terechtkomt en bij het naleven van de last het risico loopt zijn kinderen niet langer bij zich te kunnen houden. Dat zou niet alleen ingrijpende gevolgen hebben voor eiser, maar voor het hele gezin. Om die reden acht de rechtbank het van belang dat wordt gezocht naar een passende oplossing die de rust en stabiliteit biedt voor het gezin om - in overleg met de gemeente - tot een oplossing voor de huisvesting te komen. Om die rust en stabiliteit te bieden, en om te voorkomen dat op korte termijn tot invordering wordt overgegaan, treft de rechtbank daarom een voorlopige voorziening en verlengt zij de begunstigingstermijn met 12 maanden. Niemand wil dat een gezin op straat komt te staan en dat kinderen van hun ouders worden gescheiden, en dat lijkt wel de consequentie te zijn als de rechtbank niet overgaat tot het treffen van deze voorlopige voorziening. Bij de bepaling van de termijn neemt de rechtbank in aanmerking dat de huidige woningmarkt het vinden van een passende woonruimte bemoeilijkt. Een termijn van 12 maanden acht de rechtbank een redelijke termijn in deze situatie. Deze verlenging van de begunstigingstermijn betekent wel dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich in deze periode aantoonbaar en actief inspant om vervangende woonruimte te vinden. Daarnaast acht de rechtbank ook van belang dat het college actief meedenkt en kijkt of het aan eiser hulp kan bieden waar dat nodig is. De rechtbank geeft partijen daarbij mee dat het in ieders belang is om met elkaar in gesprek te blijven en gezamenlijk naar een werkbare oplossing toe te werken.

Rechtbank Den Haag 22 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20352: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning, gebruik gebouw als woning, omgevingsplan, uitleg planregel, rechtszekerheid/letterlijk uitleggen, gemengde bestemming, tijdelijk deel omgevingsplan, verbeelding, doeleindenomschrijving, gebruiksregels, definitie "bijgebouw", inleidende begripsbepalingen, afwijzing/terecht, onjuiste gronden, geen omgevingsvergunning bopa vereist, positieve weigering
8. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk moet worden uitgelegd. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:107.
8.1. De rechtbank stelt vast dat de gronden waarop het gebouw zich bevindt, de bestemming “Gemengd-2” hebben. Ingevolge artikel 5.1.1, aanhef en onder a, van het omgevingsplan zijn de voor “Gemengd-2” aangewezen gronden bestemd voor wonen. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling zijn de op de verbeelding weergegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend voor de vraag of een activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Het toetsingskader wordt daarbij gevormd door de regels die specifiek invulling geven aan een bestemming (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3264). Nu het bestemmingsplan deel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, gaat de rechtbank ervan uit dat deze rechtspraak ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet van belang is gebleven. In dit geval volgt uit de verbeelding, de doeleindenomschrijving en de algemene en specifieke gebruiksregels bij de bestemming “Gemengd-2” niet dat wonen slechts in hoofdgebouwen is toegestaan. Er is geen gebruiksregel aanwijsbaar die bewoning van een bijgebouw verbiedt. Het enkele feit dat uit de definitie van “bijgebouw” in artikel 1.24 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan volgt dat een bijgebouw niet is bestemd voor bewoning, maakt dit niet anders. Daartoe overweegt de rechtbank dat de inleidende begripsbepalingen slechts dienen ter verduidelijking van begrippen die in het omgevingsplan worden gebruikt. De begripsbepalingen zijn, gelet op de hiervoor genoemde rechtspraak, geen onderdeel van het toetsingskader dat geldt voor de beoordeling van de door eiser ingediende aanvraag. Deze begripsbepalingen bevatten geen regels waaraan een aanvraag zelfstandig kan worden getoetst (zie opnieuw de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3264). Evenmin kan betekenis worden toegekend aan het door het college ingeroepen artikel 5.2.1, onder a, van het omgevingsplan, omdat deze bepaling een bouwregel bevat terwijl eiser in dit geval geen bouwactiviteit heeft aangevraagd. De ingediende aanvraag betreft uitsluitend het gebruik van het gebouw. Of het gebouw voldoet aan de bouwregels die het omgevingsplan stelt, zal het college los van de hier voorliggende aanvraag dienen te beoordelen.

Artikel delen